Essay

Pieter Steinz

De Grote Nederlandse Roman van J.J. Voskuil

27 november 2012

Op dinsdag 20 november 2012 werd in Nederlandse ambassade te Berlijn een avond gehouden over Het Bureau van J.J. Voskuil. Ter ere van het verschijnen van Gerd Busses Duitse vertaling (verschenen bij C.H. Beck) gaf Pieter Steinz een inleiding op deze grote romanreeks.

I

Ik sta hier vanavond als directeur van het Nederlands Letterenfonds, de instantie die er samen met vertaler Gerd Busse en uitgeverij C.H. Beck voor heeft gezorgd dat het eerste deel van Het Bureau in het Duits is verschenen. Maar eigenlijk ben ik hier vooral als fan van J.J. Voskuils zevendelige romancyclus. Geen fan van het eerste uur, moet ik daar meteen aan toevoegen. Zoals zovelen moest ik mij heenzetten over het vooruitzicht om vijfduizend pagina’s te gaan lezen waarin zelfs in de ogen van de fanatiekste lezers ‘bijna niets gebeurt’. Ik ben pas aan Het Bureau begonnen in 1997, toen ik er uit hoofde van mijn vorige functie – recensent van de boekenbijlage van NRC Handelsblad – niet meer onderuit kon. Ik had namelijk op mij genomen om deel vier te bespreken, en dat kon natuurlijk niet zonder dat ik de eerste drie delen had gelezen.

Dat laatste was allesbehalve een straf. Meteen al bij deel een werd me duidelijk dat ik hier te maken had met een van de bijzonderste romans uit de Nederlandse literatuur, een instant klassieker die legendarische romans als De avonden van Gerard Reve en De vergaderzaal van A. Alberts naar de kroon stak. Het Bureau bleek een vlot geschreven, woest grappig inkijkje in het kantoorleven waarvan ik de eerste vier delen achter elkaar verslond. Ik kon mij levendig voorstellen dat de fanatiekste lezers bij verschijning van een nieuw deel voor de deur van de boekhandel bivakkeerden om de eersten te zijn die verder konden lezen in het levensverhaal van Maarten Koning.

Als recensent en journalist heb ik de delen van Het Bureau zien uitkomen. Ik heb Voskuil de grootste commerciële prijs van Nederland zien winnen. Ik werkte bij de kunstredactie toen het gebouw waar de auteur jarenlang had gewerkt op de schop ging en rondleidingen voor geïnteresseerde lezers organiseerde. Ik was chef van de boekenbijlage toen Voskuil in 2008 overleed en zijn necrologie de voorpagina van de krant haalde. Maar het allertrotst ben ik op het feit dat ik bij het Letterenfonds werkte toen de Duitse vertaling uitkwam en wij het levenswerk van J.J. Voskuil en Gerd Busse naar verre buitenlanden konden brengen. Deze zomer was ik in China, waar een zestal uitgevers in Het Bureau geïnteresseerd bleek; alleen al omdat het aansluit op de traditie van de zchichang xiaoshuo, ambtenarenromans over het leven op de werkvloer. In andere landen zijn het misschien de andere aspecten van de roman die aanspreken: de verbluffende stijl van Voskuil, de herkenbare personages, of – in de eerste delen – de even gecompliceerde als ontroerende vader-zoonverhouding tussen ‘Direktor Beerta’ en zijn protégé Maarten Koning.

II

‘Iedere vergadering is belangrijk. Je ziet weer interessante mensen en bovendien hebben ze bij de vergaderingen van de Maatschappij altijd van die lekkere koekjes.’

Aldus A.P. Beerta, volkskundige, stotteraar, socialist, Zeeuw, praktiserend homoseksueel en tot 1965 directeur van het Bureau dat ooit zijn naam zal dragen. Beerta, Anton voor zijn naasten, is een feitenverzamelaar die zich in de wetenschap staande houdt door zijn werklust, zijn kantoorpolitieke inzicht en zijn vermogen om iedereen voor zich in te nemen. Voor Maarten Koning, die in 1959 door hem als medewerker wordt aangenomen, is hij aanvankelijk een rolmodel, ‘het levende bewijs dat je jezelf zo van de buitenwereld kunt afschermen dat je onaantastbaar blijft’. Maar al gauw toont de kwajongen-op-leeftijd ook zijn andere gezichten: dat van de potentaat, die zijn ondergeschikten toebijt ‘heb je nu al een meisje?’ of ‘dan draag ik het je op!’; en dat van de aartsopportunist, die er voor zorgt dat hij ‘niet in het kamp van de verliezer komt’ en daarbij zijn getrouwen verraadt en het belang van de wetenschap aan zijn laars lapt. ‘Beerta’, zo constateert Maarten, ‘bond in tot hij als een hoop vuil in een hoek lag om dan, als niemand meer op hem lette, glimlachend weer op te staan.’

De verhouding van Beerta en Maarten is heel lang die van vader en zoon – een indruk die nog versterkt wordt door de paternalistische maniertjes van de Bureau-directeur (‘Ach jongen, je bent te zwaar op de hand’; ‘Je praat naar dat je wijs bent’). Maarten bewondert zijn leermeester, rebelleert van tijd tot tijd tegen wat hij ziet als Beerta’s hypocrisie, maar verliest nooit zijn sympathie – al noemt hij hem in een toespraak ‘de Nederlandse versie van doctor Jekyll en mister Hyde’. Als Maarten – aan het eind van deel drie, overigens – zijn vader begraaft op hetzelfde moment dat Beerta een beroerte krijgt (‘Anton is plankton geworden!’), is dat een toeval dat de geloofwaardigheid van de roman bijna geweld aandoet.

III

Objectief beschouwd gebeurt er verder niet veel in Het Bureau. Maar dat staat het lezen bepaald niet in de weg. De fans van de romancyclus, die in Nederland door niet-Voskuillezers zijn beschuldigd van soapverslaving en zelfs sektarisme, verlustigen zich in de variaties op bekende thema’s: het geschipper van Maarten tussen plichtsbesef en minachting voor het vak; de ruzies die hij met zijn vrouw Nicolien heeft over zijn werklust en trouw aan het Bureau; de discussies met Bart ‘Dat-ben-ik-dan-niet-met-je-eens’ Asjes; de koffieuurtjes, de kinnesinne en de kantoorintriges. Het zijn de virtuoos getimede herhalingen, de running gags zou je bijna zeggen, die *Het Bureau *ondanks al het leed en getob tot een onweerstaanbaar grappig boek maken.

Dat neemt niet weg dat Het Bureau ook indruk zal maken op lezers die hun literatuur niet per se grappig opgediend willen hebben. Alleen al Voskuils kale, poespasloze zinsbouw (bij de uitreiking van de een andere belangrijke prijs door de juryvoorzitter gekarakteriseerd als ‘proza na de Beeldenstorm’) verandert iedere argeloze beginner in een bladzijdenvreter die nauwelijks kan stoppen voor hij bij de laatste bladzijde is aanbeland. Voskuil lees je behalve om de herkenbare personages, de droogkomische humor en de vele mooie oneliners (‘Je zou zo moeten schrijven dat het gebouw van de wetenschap krakend instort’) ook om de stilistische beheersing die hij tentoonspreidt. Of het nu een professorale toespraak is waarvan de zinnen elkaar als een onontwarbare kluwen opvolgen, of een indirecte monologue intérieur waarin Maarten speculeert over de redenen van zijn collega om in vakanties niet langer op de poezen van de Konings te willen passen – het zijn passages met de kwaliteit van titanium: sterk, licht en sierlijk.

Ondanks zijn schijnbaar extreme voorliefde voor detaillering is Voskuil een meester in het weglaten. Dat moet ook wel. Wie, zoals de auteur van Het Bureau, dertig jaar (kantoor)leven wil beschrijven, ontkomt niet aan tijdverdichting, zelfs al heeft hij vijfduizend bladzijden tot zijn beschikking. De romans maken flinke sprongen door de tijd, zodat we soms binnen het bestek van één bladzij drie maanden verder zijn en zelf moeten invullen wat er in de tussenliggende periode gebeurd is. Een vergelijkbare zelfwerkzaamheid wordt van de lezer verwacht wanneer Voskuil van spannend opgebouwde scènes (een uit de hand lopend symposium, een dreigend fiasco op een congresuitje, een dronken sollicitatiegesprek) de aanloop of de conclusie niet beschrijft. Ernest Hemingway, de Amerikaanse kampioen van het less is more, noemde dat het ‘ijsbergprincipe’: je ziet vijftien procent, de rest ligt verborgen onder de waterspiegel.

IV

Door de Nederlandse uitgever werd Het Bureau in de jaren negentig aangekondigd als ‘de omvangrijkste roman ter wereld’. Of dat zo is, is een definitiekwestie, want Zola en Balzac schreven nog volumineuzer romancycli, maar in het Nederlandse taalgebied waren Voskuils ambities zonder weerga. Het Bureau is dan ook zeer veel tegelijk: een portret van een man die vuile handen maakt in een systeem waarmee hij eigenlijk niets te maken wil hebben; een antropologie van het kantoorleven die door de uitputtende beschrijving van (wan)verhoudingen op het werk universele trekjes krijgt; een kroniek van de Nederlandse samenleving in de naoorlogse jaren van economische groei en krimp; en niet te vergeten een sleutelroman over de historici, antropologen, taal- en heemkundigen en academische managers, die zich verzamelen op en rondom het Amsterdamse P.J. Meertens-Instituut voor Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde. Inclusief mijn eigen stiefvader, die in de latere delen van de cyclus nog een bescheiden rolletje speelde.

In de jaren vijftig leefde onder schrijvers in de Verenigde Staten de obsessie om in één dikke roman het Amerikaanse leven zo volledig mogelijk te boekstaven. Van deze mythische Great American Novel, die zowel tijdsbeeld als zielenspiegel moest zijn, zou je Het Bureau de Hollandse pendant kunnen noemen. De Grote Nederlandse Roman van J.J. Voskuil geeft een veelomvattend beeld van de condition néerlandaise in de tweede helft van de twintigste eeuw. Maar tegelijkertijd is geen Elckerlyc universeler dan de plichtsgetrouwe, arrogante, sympathieke, werklustige, kleinzielige, supertolerante wetenschappelijk ambtenaar Maarten Koning.

Voor deze lezing is gebruik gemaakt van de artikelen die Pieter Steinz voor NRC Handelsblad schreef over Het Bureau.

Ondanks zijn schijnbaar extreme voorliefde voor detaillering is Voskuil een meester in het weglaten.

J.J. Voskuil - Das Büro