Essay

Christiaan Weijts

Het atelier waar de inkt nog nat is

24 januari 2013

Voor schrijvers en dichters bestaan geen opleidingen. Er zijn geen stageplekken, geen vooropleidingen, geen ateliers, werkplaatsen, honours classes of studieloopbaanbegeleiders. Je moet het allemaal zelf uitvinden. Enkele initiatieven daargelaten heeft het schrijven geen infrastructuur zoals die voor andere artistieke disciplines zo vanzelfsprekend is.

Muziek, theater, beeldende kunst, dans: daarvoor ga je in de leer, jarenlang, in trajecten die geënt zijn op het klassieke leerling-gezel-meesterprincipe. In de literatuur zijn er alleen andermans boeken om de kunst van af te kijken.

Op m’n tweeëntwintigste bestookte ik alle literaire tijdschriften van Nederland met mijn verhalen. Ik studeerde Nederlands, en had daar geleerd over de polemische opvattingen van Forum of Merlyn, of de stammenstrijd tussen De Revisor en Tirade. Dáár gebeurde het. Dáár moest je blijkbaar tussen zien te komen.

Sommige van die bladen bestonden nog. In de studiezaal Nederlands van de Universiteitsbibliotheek stonden ze in de achterste kast. Ik bladerde ze vooral door om de geboortedata in de bio’tjes achterin te zien, en het adres om ‘ongevraagde kopij’ naartoe te sturen. Soms zag ik een studiegenoot hetzelfde doen. Dan reageerden we betrapt, als hoerenlopers die elkaar herkennen achter hun opgetrokken kragen: aha… jij óók…!

Het tijdschrift is de literaire remplaçant voor stageplekken en ateliers. De redacteuren zijn vrijwel altijd schrijvers, dichters en essayisten. Wie als beginneling werk inzendt is een leerling die, in gunstige gevallen, commentaar krijgt van een meester.

Op 17 juni 1998 lag er een briefje van Adri van der Heijden in mijn brievenbus. Het handschrift op de envelop herkende ik onmiddellijk, met bonkend hart. Ik had mijn oog op De Revisor laten vallen, waarin hij fragmenten uit De tandeloze tijd in vroege versies uitprobeerde. Het literaire tijdschrift is een podium met opgangen van twee kanten. De gevestigde schrijver komt er zijn pen scherpen, wat schetsen testen, polemieken starten, poëticale opvattingen uitdiepen. De beginneling komt er het vak leren, bekendheid in ‘het wereldje’ vergaren, of zichzelf voor het eerst in druk zien, zoals ik vurig hoopte. Dat Van der Heijden feitelijk geen deel van de redactie uitmaakte, weerhield me er niet van mijn verhalen aan hem te adresseren.

“Om redenen die ik hier niet zal noemen, ben ik al lang geleden opgehouden met het geven van commentaar op mij toegestuurde manuscripten,” luidde de eerste, wat raadselachtige zin. Van der Heijden zat ook niet in de redactie van De Revisor en had mijn verhaal naar redacteur Anthony Mertens doorgestuurd, “zonder verder commentaar”.

Een maand later stuurde Mertens alsnog de standaard afwijsbrief, die ik wegborg in het mapje met eensluidende epistels.

Het literaire tijdschrift stelt een norm. Het is niet populair om te zeggen, maar in een wildgroei van online geschrijf, getwitter en doe-het-zelf-gepubliceer zijn er autoriteiten nodig om potentie van pulp te scheiden. Die taak van het tijdschrift is met de digitale ontwikkelingen alleen maar toegenomen. Nu elke gek een blog kan beginnen, is er des te meer behoefte aan kwaliteitseisen, filters, maatstaven. En mijn werk voldeed daar duidelijk nog niet aan. Terug naar de schrijftafel. Polissez-le sans cesse et le repolissez. Leren schrijven is vlieguren maken, en de stimulerende werking van standaard afwijsbriefjes laat zich niet overschatten.

*

Op 8 november 1998 volgde er een handgeschreven brief van Tirade-redacteur Toine Moerbeek. Opnieuw een afwijzing, zij het ditmaal met een randje hoop. Na de kritiekpunten schreef Moerbeek: “Wel geeft u blijk van het doen van interessante observaties die u zorgvuldig formuleert. Gezien uw nog zeer jeugdige leeftijd (22 jaar schrijft u) is dat bijzonder. Hopelijk laat u zich niet ontmoedigen door ons tot tweemaal toe ‘nee’ zeggen, want dit ‘nee’ is wellicht niet definitief.”

Het leek verdomme wel de hofmakerij! Eindeloos bleef je achter die meiden aan zitten, want ook hun ‘nee’ was ‘wellicht niet definitief’.

Toch, ik had een voet tussen de deur. Zonder zulke tijdschriften was je kansloos. Rechtstreeks je werk naar een uitgever sturen stond gelijk aan het in de papierversnipperaar stouwen, zoveel had ik intussen wel begrepen. Het tijdschrift was laagdrempeliger, zonder aan status in te boeten. Hier kon je zij aan zij staan met Maarten ’t Hart of Arnon Grunberg. Hier werden reputaties voorbereid en bestendigd. De uitgevers lazen immers mee, en gaven die bladen vaak zelf uit.

Literaire tijdschriften hoeven misschien niet meer de achtertuintjes van de grote uitgevershuizen te zijn, zoals ze misschien ook niet meer zes of acht keer per jaar als een gedrukt boekwerk hoeven te verschijnen. En natuurlijk, naast het klassieke debuteren à la Philip Roth (in Chicago Review, 1955) of Patrizio Canaponi (A.F.Th.’s pseudoniem in De Revisor van juni 1978) zijn allerlei nieuwe vormen ontstaan – er zijn literaire agenten, verhalenwedstrijden en er is een wijdvertakt baantjes- en borrelcircuit. Maar de taak van het tijdschrift, een door schrijvers bestierde intermediair tussen uitgever en aspirant-schrijver, blijft een kolossale.

Vooral door het leerling-gezel-meestermodel dat op die manier toch ook voor de letteren vorm krijgt. Debutant en arrivé werken hier samen in hetzelfde atelier. Want laten we belangen voor de gevestigde ‘namen’ ook niet vergeten. In een land dat het moet stellen zonder de short story-cultuur van The New Yorker, en zonder de diepgravende boekbesprekingen The Times Literary Supplement, mag je blij zijn dat het literaire tijdschrift nog onderdak biedt aan korte verhalen en essays – genres die ‘het moeilijk hebben’, maar van vitaal belang zijn.

In een goed atelier is de verf nog nat en het ijzer heet. In het schrijfatelier dat het literaire tijdschrift is, is alle inkt nog nat. Poëticale opvattingen, polemieken, essays: we zien het ruwe, aftastende denken. Denk aan boeken als Zadie Smith: Changing My Mind, Jeanette Winterson: Art Objects, Harry Mulisch: Voer voor psychologen of P.F. Thomése: Nergensman. Het poëticale essay is een machtig genre dat zonder literaire tijdschriften geen voedingsbodem zou hebben.

*

Het duurde nog acht jaar voordat mijn eerste tijdschriftpublicatie verscheen. In de tussentijd had ik mijn bureauladen gevuld met gestrande manuscripten, had ik stukken en columns in het Leidse universiteitsblad Mare geschreven, die via een omweg tot een contract voor mijn debuut leidden. Klassiek debuteren toch nog, via het tijdschrift, al was dat in mijn geval een studentenweekblad.

En eind 2006 verscheen in De Revisor een verhaal, een ‘epiloog’ bij mijn debuutroman. Omdat het het decembernummer was, werd ik uitgenodigd voor de kerstborrel bij Schiller. De eerste die mij begroet is Adri van der Heijden. “Ik begrijp dat jij een heel belangrijke prijs hebt gewonnen!” roept hij uit. Hij doelt op de Anton Wachterprijs, die hij zelf in 1979 won.

En als het nummer even later officieel gepresenteerd is: “Ik zie dat je er ook in staat. Eens even kijken…” Bladeren. Inademen. Werkelijk? Gaat hij werkelijk mijn verhaal lezen waar ik naast zat? Hij, die in juni 1998 nog was opgehouden met het geven van commentaar op hem toegestuurde manuscripten, en door wiens handen mijn eerste verhalen “zonder verder commentaar” waren gegleden?

Ik ben sindsdien bij bijeenkomsten van meerdere literaire tijdschriften geweest, en hoewel er weinig over lijkt van die oude verzuiling en de kongsivorming waar ik aan de universiteit over hoorde, valt me wel op hoe rond elk blad een eigen cultuur heerst, al is er veel grensverkeer en overlap.

Literaire tijdschriften zijn knooppunten van schrijvers, dichters, redacteuren, geldschieters, uitgevers, vertalers, recensenten, filosofen en absolute malloten. Ze vormen het bindweefsel tussen alle vitale organen van de literatuur. Uiteraard verandert die wereld, en veranderen die bladen mee. Ik zie iets soortgelijks in de journalistiek, die ook met een grote ommezwaai geconfronteerd wordt. Het aantal individuen dat verlangt naar een dagelijkse papieren krant in de brievenbus neemt af. Van de hoofdredactie van NRC Handelsblad vernam ik onlangs dat het een kwestie van tijd is voor de stijgende lijn van digitale lezers de dalende lijn doorkruist van papieren lezers. (“En dat kunnen we aan,” klonk het geruststellend). Maar de noodzaak van de krant als instituut wordt daar niet minder groot door. Die wordt juist groter, ben ik geneigd te zeggen.

Literaire tijdschriften verdwijnen, fuseren, komen in nieuwe verschijningsvormen ineens weer uit studentenkringen opborrelen, financieren zich met crowd funding, zoeken samenwerking met week- en dagbladen, gaan digitaal, gaan op tablet, toveren zich om tot app. In een veranderde wereld krijgt het atelier andere vormen, maar het blijft een atelier.

Tien tergende minuten leest Van der Heijden mijn epiloog, uitdrukkingsloos. “Ja, die toon is goed,” mompelde hij vervolgens. Hij slaat het blad dicht, priemt zijn blik heerszuchtig in de mijne en vraagt: “En wat is jóúw taak?”

Wat ik stamel, weet ik niet meer. Wel dat ik besef: dit is het atelier van de roman. De inkt is nog nat.

In een goed atelier is de verf nog nat en het ijzer heet. In het schrijfatelier dat het literaire tijdschrift is, is alle inkt nog nat.

omslag Revisor 2006