Essay

David Colmer

Over het vertalen van De Danser van Nijhoff

30 maart 2011

Toen ik gevraagd werd om voor de vertaaldagen een gedicht te vertalen en daarover te praten, zei ik zonder na te denken JA.

Dat is een slechte gewoonte van mij en in dit geval sloegen de twijfels meteen toe. Niet omdat ik bang was om vóór zoveel mensen te moeten staan, of omdat ik de tijd om het voor te bereiden niet vrij kon maken, maar omdat ik nog niet wist om welk gedicht het ging. Ik wist niet eens uit welke periode het zou komen of welke stijl het zou hebben.

En, eigenlijk, denk ik dat je gedichten alleen onder voorbehoud kunt vertalen, dat je niet van tevoren kan beloven dat het gaat lukken. Natuurlijk kun je er IETS van maken, maar waar het om gaat is het gedicht als vergelijkbaar gedicht neer te zetten in de andere taal. Anders kun je niet écht van een geslaagde poëzievertaling spreken.

Maar goed, het gaat hier niet om een publicatie, maar om een entr’acte, een beetje light entertainment tussendoor. Ik moest over HET VERTALEN van het gedicht praten, en dat is eigenlijk een proces veel meer dan een eindpunt. We zijn hier allemaal vertalers onder elkaar, dus misschien kon ik desnoods over HET PROBEREN TE VERTALEN praten, en wie weet, misschien zou dat uiteindelijk nog veel leuker zijn.

Toen kreeg ik het gedicht toegestuurd. Tjonge-jonge, dacht ik, da’s nie makkelijk.

Het was DE DANSER van Nijhoff.

Het lijkt me sterk dat Nijhoff dit geschreven heeft met een Australisch accent in zijn achterhoofd, maar toch ga ik het even voorlezen.

De danser

Onder mijn huid leeft een gevangen dier
Dat wild beweegt en zich naar buiten bijt,
Zijn donker bloed bonst, zijn gedrongen spier
Trilt in krampachtige gebondenheid.

Totdat zijn pijn als warmte door mij glijdt
En dwingt naar ‘t worden van gebaren wier
Beheerste haast en vastgehouden zwier
Zijn vaart nog spannen eer hij zich bevrijdt.

Men moet gepoederd zijn, dat in ‘t gelaat
Alleen het zwart der openschroeiende ogen
De waanzin van ‘t inwendig dier verraadt.

De mond moet, roodgeverfd en opgebogen
Zo god’lijk trots zijn, dat hij weten laat
Dat zich zijn brede lach heeft volgezogen.

[Martinus Nijhoff, 1894-1953]

Praten over buitenlandse literatuur is een beetje als reisgidsen schrijven. Het gaat heel goed totdat je je conclusies voorlegt aan iemand uit het land zelf. Ik heb hier vaak in het publiek gezeten, meestal samen met andere Engelstaligen, en het komt geregeld voor dat wij vreemd op moeten kijken van sommige al te boute uitspraken over het Engels en Engelstalige literatuur. Ik besef heel goed dat het nu hetzelfde zou kunnen uitpakken, met het verschil dat de native speakers nu de Nederlanders en de Vlamingen zijn, en in een erg grote meerderheid. Toch ga ik beginnen met hoe het gedicht op mij overkwam, wat ik daarvan begreep en wat ik dacht te begrijpen.

Het gedicht gaat over een danser, zeker, maar meer algemeen, lijkt mij, over het verband tussen passie en beheersing in de kunst. Door emotie tegen te houden, wordt een uitbarsting omgevormd tot kunst, waarin, uiteindelijk, alleen een glimp van het oorspronkelijke beest te zien is.

Binnen het gedicht bespeur ik veel contradictie, die deze twee kanten aangeeft. “BEHEERSTE HAAST” bijvoorbeeld, en nog veel meer “VASTGEHOUDEN ZWIER”, waar het losse, vloëiende, zwierige wordt letterlijk vastgegrepen.

Er zijn ook, naar mijn mening, vrij associatieve combinaties van woorden die op verschillende manieren gelezen kunnen worden. “KRAMPACHTIGE GEBONDENHEID”. Dat krampachtige gaat dan over spieren die gedrongen zijn en trillen van inspanning, dus je denkt aan kramp, maar in de normale betekenis van het woord zou het ook iets kunnen zeggen over de wijze van gebondenheid. En in mijn hoofdinterpretatie zou dat dan misschien terugslaan op de “ik” waarin het gevangen dier leeft. “OPENSCHROEIENDE OGEN” is ook zoiets. Wie schroeit wat hier open? Branden de ogen anderen of gaan ze zelf open omdat ze branden, of is het allebei?

Veruit het moeilijkst voor mij was echter de laatste strofe.

“DE MOND MOET, ROODGEVERFD EN OPGEBOGEN
ZO GOD’LIJK TROTS ZIJN, DAT HIJ WETEN LAAT
DAT ZICH ZIJN BREDE LACH HEEFT VOLGEZOGEN.”

“ROODGEVERFD” is makkelijk - hoop ik - want ik zie er niets anders in als “ROOD-GE-VERFD”. Maar “OPGEBOGEN”. Ik dacht nou, wat betekent opgebogen? Het moet in ieder geval iets zijn wat GOD’LIJK TROTS is, en hoe je dat voorstelt hangt natuurlijk heel erg van je godsbeeld af, maar deze atheïst, als hij gedwongen wordt om over goddelijke trots te denken, komt uit bij zoiets.

Opgebogen, dacht ik, dan heb je een boog in de mond, in de roodgestifte bovenlip. Die gaat omhoog. Hautain, arrogant, uit de hoogte, dat zijn de qualiteiten die ik associëer met goddelijke trots.

Helaas - voor mij - meende de meeste van mijn Nederlandse informanten dat dat NIET kon en dat opgebogen echt betekent dat de MONDHOEKEN omhoog gaan. Ik was natuurlijk teleurgesteld, want een glimlachje kon ik niet rijmen met die goddelijke trots, maar ook niet helemaal met mijn interpretatie van het gedicht.

Ik weet dat het heel ongewoon is voor een vertaler, maar ik ben weleens een klein beetje eigenwijs, dus voordat ik mijn conceptvertaling helemaal herschreef, ging ik toch verder op zoek. Tot mijn stomme verbazing vond ik op Google Images een foto van een opgebogen mond.

Dat vond ik nogal overtuigend!

Maar ja, het gaat hier toch wel om Nijhoff, dus ik wou niet over één dag ijs gaan.

Gelukkig was er meer te vinden.

Er was eigenlijk een heel roedel van die hondjes, maar je snapt hem.

Ik vind het een verbeelding van god’lijk trots, maar ik geef toe, uiteindelijk komt het neer op één iemand die ooit de Nederlandstalige rasbeschrijving van de Griffon Belge heeft opgeschreven. Dus als bewijsmateriaal is het misschien toch wat magertjes.

Maar, dan dacht ik, misschien kan een woordenboek mij helpen. Als het maar dik genoeg is, vind ik vast en zeker ook MÍJN definitie van het woord. Dus nam ik mijn toevlucht tot het Woordenboek der Nederlandse Taal:

OPBUIGEN: A) OPWAARTS BUIGEN, DOOR DEN RAND OF EEN DER UITEINDEN VAN IETS OM TE BUIGEN EN NAAR DE HOOGTE TE BRENGEN.

Oei, is die goddelijke trots toch een ordinair glimlachje? VERDER LEZEN!

B) EENE KROMMING NAAR BOVEN MAKEN. OPGEBOGEN: NAAR BOVEN GEKROMD. HET TEGENOVERGESTELDE VAN INGEBOGEN.

Ik wist niet hoe ik mij dat voor moest stellen, maar gelukkig was er een citaat uit 1779 dat het helemaal verklaarde.

Ik lees voor: DAT DE REDEN, WAAROM EEN KEMEL ZULKE ZWAARE LASTEN DRAAGEN KAN, DAAR IN LIGT; OM DAT HY DE ZWAARTE MINDER ALGEMEEN, EN SLEGTS OP DEN SAMENLOOP VAN HET MIDDELPUNT VAN DEN OPGEBOOGEN RUG DRAAGT.

Mooi toch? Al lijkt het mij bio-mechanisch erg dubieus.

Maar nu verder met de planning van mijn vertaling.

“De mond moet, roodgeverfd en opgebogen
Zo god’lijk trots zijn, dat hij weten laat
Dat zich zijn brede lach heeft volgezogen.”

Is het eindbeeld nu een opgebogen mond of een brede lach? Ik probeerde te denken of het allebei kon zijn. Dat is een soort mondgymnastiek waarin ik geen natuurtalent ben. Eerst de trotse opgebogen mond.

Dan de brede lach toevoegen.

Dat gaat niet.

Je kunt het ook andersom proberen. Je begint met de brede lach.

En dan probeer je de opgebogen mond erbij te zetten.

Dat is net zo belachelijk.

Staat opgebogen hier dan toch gewoon voor een soort glimlach? Maar dan is de brede lach die volgt gewoon een soort herhaling, of hooguit een versterking. En ik blijf erbij dat een brede lach, niet echt god’lijk trots is.

En dan komt “volgezogen”. Die brede lach heeft zich volgezogen - DAT is wat de trotse mond ons laat weten. De betekenis van het woord volzuigen is niet moeilijk:

ZICH AL ZUIGEND VERZADIGEN; ALLES OP OF IN ZICH ZUIGEN.

Maar hoe breng je dat in verband met een brede lach? Heeft die lach zich volgezogen zoals een mug? Of zoals een spons? Of is het helemaal figuratief, zoals een vertaler die probeert zich vol te zuigen met kennis? En wat voor effect heeft dat volzuigen aan die brede lach? Is het groter geworden, zoals een bloedzuiger of teek die zich volgezogen heeft? Of is het iets wat door zich te verzadigen, weer verdwijnt, zoals honger of dorst verdwijnt als het verzadigt is?

Zoals vaker met dit gedicht, voel ik de strekking, zonder dat ik de woorden vast kan leggen. Ik voel iets roofdierachtigs, wat ik in verband breng met het innerlijke dier, en ook iets triomphantelijks, want dat is het ook - Nijhoff beschrijft de triomph van de dans. Tegelijkertijd neig ik om te denken dat de brede lach, die iets uitbundigs en dierlijks heeft, onzichtbaar geworden is, en dat het gaat daarom, dat de goddelijke trots een beheerste en bescheiden uitdrukking van de breedbekkige triomf van het dier is. Structureel zou dat ook logisch zijn, want de brede lach loopt parallel met “de waanzin van het inwendig dier” wat ook verstopt is.

Ik vind het moeilijk, zoveel is duidelijk, maar ik heb tenminste een mogelijke interpretatie die ik in mijn achterhoofd kan houden.

Natuurlijk laat de perfecte vertaling alle interpretaties open, dat is de wensdroom, maar het lijkt mij ook een minimum vereiste voor een vertaling van een gedicht dat hij TENMINSTE ÉÉN interpretatie open laat.

Ik geloof dat ik vaart moet maken, anders kom ik helemaal niet bij mijn vertaling.

Zoals jullie zien, hebben we hier te maken met een rijmend sonnet geschreven in losse vijfvoetige jamben. Dat brengt ons meteen bij een aantal belangrijke technische beslissingen.

Dat ik het metrum moest aanhouden leek mij boven paal te staan. Vijfvoetige jamben liggen aan de basis van de Engelse poëzie. Dat moet gewoon terugkomen, zeker met zó een klassiek gedicht. Het brengt wel een probleem met zich mee: het inkrimpen. Als je van het Nederlands naar het Engels gaat, krijg je onvermijdelijk regels die te kort uitvallen. En dan heb je een keus:

  1. Je laat gaten vallen in je gedicht;
  2. Je kiest voor een wat omslachtiger formulering;
  3. Je neemt je uitvlucht in een vrijere interpretatie;
  4. Je schuift een paar stopwoorden ertussen; of
  5. Je probeert iets zinnigs toe te voegen, hopelijk in de geest van het origineel.

Ik kan dit illustreren aan de hand van één van de mooiste regels in het gedicht.

“Beheerste haast en vastgehouden zwier
Controlled haste and something-something grace”

Deze Engelse vertaling vind ik zelf een erg mooi begin, maar hij is nog niet af en de voor de hand liggende vertalingen van “vastgehouden” hebben maar één in plaats van twee voeten.

Je kan van alles doen. “Elegance” in plaats van “grace”, maar dan kies je een afstandelijker woord en verlies je een erg mooie binnenrijm. Je kunt een heel vrije vertaling van vastgehouden nemen: “unrelenting”, bijvoorbeeld. Tja. Misschien een uitbreiding zoals het gebruik van “hastiness” of “gracefulness”, maar dat wordt weer een enorme verzwakking. Of een overbodig woordje tussenschuiven, zoals “their” in het midden. Of toch gewoon laten staan als een viervoetige regel? Keus genoeg. Maar je MOET kiezen.

En voor degenen die gemerkt hebben dat deze vertaling één onbenadrukte lettergreep mist in de tweede voet… Als je zoiets niet mag laten vallen vóór het woord “HASTE”, dan mag je het nergens.

De andere grote technische kwestie is de rijm. Wat je hiermee moet en kan is erg taalverbonden. In het Engels zijn er vertalers die altijd rijm aanhouden en dat als een plicht beschouwen. Er zijn ook vertalers die dat nooit doen, en menen dat, in het Engels, een gerijmde vertaling van een serieus gedicht nooit serieus te nemen is.

Ik neem zelf een middenweg. Ik heb dit gedicht geprobeerd te vertalen met halfrijm, maar in het verleden heb ik vaak volrijm gebruikt.

Het is een persoonlijke keus en misschien ook een kwestie van de vingervlugheid van de individuele vertaler, maar ik wil bij deze twee handige aforismen lanceren. Volgens mij kunnen ze ons helpen bij het overwegen.

  1. De lelijkheid van een slechte rijm maakt veel meer indruk dan de schoonheid van een mooie rijm.
  2. Een knappe rijm is niet in staat om een slechte regel goed te maken.

Voor het geval dat jullie nu beginnen te twijfelen: ik heb “De danser” wel geprobeerd te vertalen. Ik vind het nog een work in progress en ik zou er veel zwakke plekken in kunnen aanwijzen, maar ik ga het liever gewoon voorlezen, om jullie het te laten proeven.

The Dancer

There is a captive animal under my skin
That snaps and thrashes trying to escape.
Its dark blood pounds, its swelling muscles quiver,
Pushing hard against its cramped constraint.

Until my veins are flooded with its pain,
Hot and forcing the birth of gestures whose
Controlled haste and shackled, held in grace
Harness its speed before it can break loose.

One must dust one’s features well with powder,
So that only the searing coal-black eyes
Betray the madness of the animal within.

The mouth - lips painted red, arched high -
Must be divinely proud to leave no doubt
About the sated triumph of its grin.

Martinus Nijhoff

[Translation: David Colmer]