Essay

Anita Concas

Dankwoord Anita Concas

23 februari 2010

Op 29 januari 2010 nam Anita Concas in Parijs de Prix des Phares du Nord 2009 in ontvangst voor haar Franse vertaling van Het huis van de moskee (La maison de la mosquée) van Kader Abdolah. Hieronder volgt een deel van het dankwoord dat zij daarbij uitsprak.

Ik ben zeer vereerd om de Prix des Phares du Nord in ontvangst te mogen nemen en me in het gezelschap te mogen voegen van eminente voorgangers als Philippe Noble en Annie Kroon.

Toch past enige bescheidenheid, want vertalen, dat noodzaakt om niet alleen rekening te houden met de puur linguïstische eigenschappen van twee verschillende talen, maar ook met het eigen karakter van de gemeenschappen waarin die talen worden gesproken, is een onderneming die moeilijk verschoond kan blijven van enige vorm van verraad. ‘Vertalen is een beetje verraden,’ luidt dan ook de boutade van een Nederlandse vriend.

Vandaar dat ik wil toelichten in hoeverre ik ontrouw ben in het specifieke geval van het vertalen van het Nederlands in het Frans, en waarom ik dat ben, waarbij ik mij zal baseren op enkele kenmerkende voorbeelden van de manier waarop de Nederlanders verslag doen van de wereld om hen heen en waarop ze hun gespreksonderwerpen aansnijden. Ik denk dan vooral aan hun behoefte om een totaalbeeld te geven, niet alleen topografisch maar ook van alle waarnemingen - via ogen, neus, oren, tast en smaak - van de wereld waarnaar ze verwijzen, de wereld waarop hun taal betrekking heeft.

Een mededeling wordt gevormd door verscheidene elementen: er is degene die spreekt of die schrijft, degene tegen wie gesproken of voor wie geschreven wordt en de wereld waarover men spreekt, de zogeheten referent. Tussen deze elementen bestaan betrekkingen die van de ene tot de andere taal verschillen.

In het Nederlands wachten mensen niet gewoon voor een museum, ze staan of zitten voor het museum te wachten of nemen daarbij enige andere denkbare houding aan. Ariane gaat niet naar de bibliotheek, ze loopt of ze fietst of ze rijdt erheen. Een trein komt het station niet binnen, hij rijdt het binnen. Francine neemt niet het vliegtuig om haar dochter in New York te bezoeken, ze vliegt naar New York. Een opmerking is niet onaardig, ze klinkt onaardig. De ober in het restaurant vraagt niet of het naar wens is geweest, maar of het je gesmaakt heeft.

In al deze gevallen gebruikt het Nederlands een werkwoord dat de handeling uitdrukt, al dan niet nader bepaald door een ander werkwoord of een bijwoord, terwijl het Frans een algemener werkwoord zonder nadere bepaling gebruikt dat niet altijd strookt met je waarneming.

Om dit verschijnsel te illustreren zal ik enkele voorbeelden geven uit Het huis van de moskee en de vertaling daarvan in La maison de la mosquée:

‘De katten van het huis lagen naast de hooz van een afstandje toe te kijken, verbaasd over die bewegende massa’ is in het Frans vertaald door: ‘Les chats de la maison étaient allongés près du hooz et observaient de loin avec étonnement cette masse ambulante.’

Waar het Nederlands één enkele verbale uitdrukking gebruikt waarmee het tegelijkertijd zegt dat de katten lagen en keken, is het Frans genoodzaakt twee werkwoorden te gebruiken. In dit geval kan en moet het trouw aan het Nederlands blijven, omdat de mededeling een beschrijving is, of zo u wilt een stilstaand beeld.

Maar twee bladzijden verder komen we de volgende zin tegen:

‘Opeens bewogen de beestjes niet meer, het leek alsof ze stonden te luisteren…’ En in het Frans: ‘Soudain les petits bêtes s’arrêtèrent de bouger, comme si elles écoutaient…

In het eerste voorbeeld was de houding van de katten een belangrijk element van de mededeling, terwijl die van de beestjes in het tweede geen enkele wezenlijke functie vervult in de voorstelling van zaken. Het is in het Frans dan ook weggelaten.

Maar er is meer aan de hand met dit voorbeeld.

Als we het nader bekijken, zien we dat het eerste deel van de zin iets constateert en dat het tweede deel, ook al is het een commentaar op het eerste, iets anders constateert; het Nederlands gebruikt twee werkwoorden die naar de referentiële situatie verwijzen terwijl het Frans in het tweede deel verwijst naar wat in het eerste is gezegd. Het verwijst naar zijn eigen uiteenzetting en niet naar de referent.

Hetzelfde gebeurt wanneer je ‘De oude kraai vloog over het huis en kraste’ vertaalt door: ‘La vieille corneille vola en croassant au-dessus des toits.’ Ook hier verwijst ‘kraste’ weer naar de wereld waarover gesproken wordt, terwijl ‘en croassant’ verwijst naar het werkwoord ‘vola’, oftewel de mededeling zelf.

Deze constateringen zijn kenmerkend voor de opbouw van de mededeling in de twee verschillende talen. Ze duiden erop dat het Frans alleen die elementen van de referentiële wereld bij de ontwikkeling van de mededeling betrekt die helpen om een gedachte te ontwikkelen, en niet om een beeld te scheppen van datgene waarvan sprake is. Linguïstische details die door het Nederlands noodzakelijk worden geacht om de wereld waarnaar het verwijst precies weer te geven, worden in het Frans dus weggelaten omdat ze afleiden van de hoofdgedachte van de mededeling of omdat ze als overbodig worden beschouwd of omdat ze de zin nodeloos log maken. De Nederlanders, op hun beurt, vinden dat het Frans vaak onduidelijk is en zich beperkt tot algemeenheden. Zij stellen vragen over het waar, hoe, wanneer en waarom van de Franse mededeling, die zelf alleen het ‘wat’ noemt. Twee verschillende manieren dus om de referentiële wereld aan te snijden en in een mededeling te vervatten. Het Frans construeert een mededeling die linguïstisch coherent wil zijn, terwijl het Nederlands een coherent beeld geeft van de situatie of de gedachte waarnaar het verwijst: het maakt er in zekere zin een schilderij van. En juist aan dit picturale talent is de voorliefde voor detail en precisie van de Nederlandse taal te danken, evenals het gemak waarmee ze nieuwe woorden kan maken.

Van die voorliefde voor detail en precisie hier nog wat voorbeelden:

‘Hier schuin tegenover staat de Vredeskerk uit 1918.’ Letterlijk vertaald wordt dat: ‘Ici, en face, à l’oblique, se dresse l’église de la paix.’ Drie bijwoorden om de kerk te situeren ten opzichte van degene die spreekt. Het Franse zegt gewoon ‘en face’, ‘tegenover,’ en dat is genoeg want wat zich rechts of links van de kerk bevindt is ook ‘en face’. Deze nauwkeurigheid kan in het Frans als overbodig worden ervaren, zoals in: ‘Van 1795 tot 1815 daalde de bevolking van 221.000 zielen naar 190.00.’ Vertalen we dat letterlijk in het Frans, dan krijgen we: ‘De 1795 à 1815 la population a baissé, elle est passée de 221.000 à 190.000 âmes.’ Het Nederlands drukt tot tweemaal toe uit dat er sprake is van een neergaande lijn, door het werkwoord ‘dalen’ en door het verschil tussen de twee jaartallen, terwijl het bovendien met het voorzetsel ‘naar’ de beweging aangeeft. Het Frans zet niet de puntjes op de i zoals het Nederlands, maar neemt genoegen met een neutraal, algemeen werkwoord, zoals ‘passer de’, en het vermelden van de twee jaartallen: ‘Entre 1795 et 1815 la population est passée de 221.000 à 190.000 âmes.’ Iedereen begrijpt dat de bevolkingsgrootte is afgenomen en niet toegenomen.

Ook is het Nederlands uitermate soepel en kan het op elk moment nieuwe woorden maken door een suffix of prefix aan een bestaand woord toe te voegen of woorden aan elkaar te plakken. Zo had iedereen in Nederland het een tijdje geleden over een vermageringskuur die was ontwikkeld door ene Sonia Bakker, wat onmiddellijk tot het werkwoord ‘soniabakkeren’ leidde. Ik geloof niet dat de Fransen de behoefte hebben gevoeld om het werkwoord ‘michelmontignacer’ in het leven te roepen, ook al hebben ze minstens twee van het Engels afgeleide werkwoorden die op dezelfde manier tot stand zijn gekomen: ‘boycotter’ (naar Charles Boycot) en ‘lyncher’ (naar William Lynch).

Ik hoop u ervan te hebben overtuigd dat deze verschillende manieren om de referentiële wereld in de taal weer te geven lastige gevolgen hebben voor het vertalen. Tot mijn grote voldoening trof ik enkele weken geleden in de NRC een uitspraak aan van de schrijver en journalist Joris Luyendijk, die in enkele woorden samenvatte wat ik hier zojuist op enkele pagina’s heb betoogd: ‘Wij Nederlanders houden meer van schilderen dan van argumenteren.’

Dames en heren, nu begrijpt u waarom ik geen andere keus heb dan bescheiden te blijven, omdat ik u dikwijls datgene ontzeg wat in mijn ogen nu juist de bekoring van het Nederlands is. Ik vraag zowel Nederlanders als Fransen om vergeving, maar ik ben ervan overtuigd dat ik hun nog ontrouwer zou zijn als ik het anders deed.

(vertaling Peter Bergsma)