Essay

Pjeroo Roobjee

Het huiswerk van de taalman

26 februari 2009

Zowat zeventien winters geleden, op 16 januari 1992 om gans en heel en al precies te zijn, pende ik in mijn Zegelsemse iglo een kort vertoog neder omtrent het rechtgeaard vertalen en de moeilijkheid hiervan. Genoemd opstel moest als proloog dienst doen in het programmaboekje bij de opvoeringen van Molières George Dandin, een productie van het Nederlands Toneel Gent waarin ik als vertaler optrad.

De huurling, zo schreef ik op die grauwe en verre winterdag, de huurling die dienst neemt om onsterfelijke woorden van de ene taal in de andere over te brengen, moet alle hoop op eigenliefde en ijdelheid laten varen. Verbazing over eigen kunnen en grove overschotten aan verbeelding zijn dingen die stinken in dit leenmanschap. Hij die vertaalt interpreteert niet, geeft geen commentaar. Hij mag de wereld niet verbaasd doen staan door de schittering van zijn prachtige, onverwachte invalshoek. Hij dient alleen trouw te zweren aan een tekst en aan een auteur. Hij moet die bundel woorden door middel van zijn bloedeigen geboortetaal zo secuur mogelijk in ere herstellen en zich verre van Narcissus’ vijver houden.

Al in de allereerste versie zal de rechtgeaarde taalman het ritme, de ademhaling van het originele gewrocht laten doorklinken. Ook de specifieke cadansen binnen de replieken afzonderlijk zullen reeds worden aangekondigd. Een eerste verkenning van en naar le mot juste dient te worden ondernomen.

Uit deze primairste vorm -waar alle intenties voorhanden zijn- moet een nog nauwkeuriger versie worden geboren. Voor het ontstaan ervan moet met luizenkam en loupe en nog een loupe de eerste versie worden bezocht en onderzocht. Ordening, klankkleur, het ritselen en klotsen achter beeld en letterteken dienen te worden getoetst aan het oorspronkelijke werk. Luid en hardop reciteren kan hier wonderen verrichten. Pas als deze bezigheid achter de rug is, mag er aan de volgende stap worden gedacht. Deze schrede bestaat uit een derde, ultieme versie. Netjes overgeschreven, wordt zij het definitieve werkstuk, het manuscript zonder spat nog vlek.

Antieke paragrafen

Als ik nu en thans, anno 2008, deze antieke paragrafen herlees, kan ik mij nog altijd met de inhoud identificeren. Al heb ik natuurlijk met het vlieden der getijden iet of wat een vlijm van mijn eertijdse arrogantie en verdoemde gelijkhebberij verloren, zodat ik vandaag zonder blozen de traduttore traditore-waarheid kan aanvaarden, die ongelogen wijsheid die onthult dat de vertaler een verrader is en dat een vertaling nimmer het oorspronkelijke werk precies kan weergeven.

Desalniettemin wil ik blijvend geloven dat zulk verraad, de onmacht om de totale eigenheid van een literair werk in een andere taal om te zetten, de kleinst mogelijke vaandelvlucht wordt indien er niet naar vondsten wordt gehengeld en het loze van de improvisatie, van de associatie, van het nooit exacte vermoeden achterwege blijft. Volg nooit wat je instinctief denkt de oplossing te zijn, spaar die aandrift voor eigen vermaak en persoonlijk hersenspinsel. Denk nooit, zoals het mij in hovaardiger seizoenen ooit is overkomen, dat jouw vertaling de volmaaktst schone op aarde is en zodoende als ultiem dient te worden geschouwd. Vooraleer je tot enig besef komt, is er alweer een nieuwe inkijk en behandeling vandoen. Vooral toneelwerk, een discipline waarmede ik in hoofdzaak mijn bolletje krentenbrood met confiture heb verdiend, moet op gezette tijden met nieuwe vertaalversies worden verrijkt.

Doe dus niet wat je zelf wil en wens niemendal in naam van de auteur. Ga uit van leegte, van niet-weten, van verlorenheid, van onbevangenheid. De geest is dan perfect in evenwicht en bezit alle ruimte om de bagage te ontvangen die van node is om de klus te kunnen klaren.

Wie is de auteur?

Wat is zijn idioom, zijn postament, zijn signatuur? Uit welke kruik heeft hij gezopen? In welk ruim vertoefde hij? In welke magazijnen en andersoortige neringen kocht hij zijn mosterd om ermede tijd en universum uit te tekenen en te overstijgen? Je moet met die man kunnen converseren, hem kunnen bepalen, en tegelijk moet je vanuit het te vertalen werk blijven redeneren. Achter dat overtal aan verben moet je de drijfveer, de betrachting van de schepper ontdekken en reconstrueren. Elke verleidelijke gedachte aan subjectieve interpretatie dient daarbij te worden vermoord. Snuif geuren op, sferen, authenticiteit, de hoogstpersoonlijke identiteit van de auteur en diens letterwerk. Raak in vervoering maar verlies het noorden niet uit het vizier. Vervoering mag, mits het de rede niet krakkemikkig lamlegt, extase is gevaarlijker, een farce, een blindmakende harpij. Neem niet, uit noodzaak of om reden van uitgedaagde trots, neem nooit om het even welke opdracht aan. De knaap die hier en niet elders zijn zever naar uw oorschelp zendt, die onbetrouwbare schavuit heeft alleen maar de werken willen vertalen van die schrijvers die hij bovenal admireerde en beminde, auteurs die in een ontoegankelijk verklaarde sprake schreven, maar voor de hogergemelde rekel, ik dus ondergetekende, allerklaarst als bronwater de pen hanteerden. Wanneer mijn Adler Gabriële-schrijfmachine haar Germaanse grundliches stugheid overwon en een zingzang-muziekske horen liet, wist ik met als behoedzaam te omschrijven zekerte dat ik mij uit de Ellendestraat had losgewrikt en mij thans op de rechte wegel naar welvaart en voleindiging bevond.

Deze aard van wezen en van zijn, al die gewaarwordingen, zij behoren, mijne zeer lieven, tot het verstorvene en de vergetelheid. Krek tien jaren geleden beëindigde ik mijn laatste proeve in het domein van de vertaalkunde. Le cocu magnifique van Fernand Crommelynck, de eerste productie van het Toneelhuis, dat uit de Blauwe Maandag Compagnie tot leven kwam, die eerste boreling werd mijn ultieme bijdrage als taalman. Bij gebrek aan interesse en door het uitblijven van opdrachten die mij als gegoten zaten, sloot ik voor eeuwig het Betekeniswoordenboek der Nederlandse Taal van doctor Brouwers, alsook het trio Prisma-pockets waaruit ik exactitude puurde.

Over mijn linkerschouder naar een ver verleden loekend, kom ik tot de constatatie dat mijn niet te loochenen kwaliteiten overwegend in het theater, in het drama dienen te worden gezocht. En dat het Engelse, Franse en Italiaanse repertoire de territoriale wateren waren waarin ik vrijelijk als vis in eigen nat zwemmen kon. Bij het graven in de taal van feldgraue Rijnvissers en bassende führers stootte ik altoos op dammen van weerstand en muren van eigen onbegrip, zodat ik mij op tijd en stond van enige assistentie diende te verzekeren. Voor Herr Paul van Tankred Dorst, een productie van de Blauwe Maandag Compagnie, diende dramaturg Hans van Dam als belerende influisteraar en toen ik op eigen hout en zwakke krachten een flard Philoktet van Heiner Müller voor het Rotterdams Theaterfestival in het Nederlands omzette, werd genoemd fragment een gehaksel dat geen aardeling verstaan kon en niemand een dienst bewees. Dus, mijne zeer lieven, blijft allen bij de leest waarop gij schoeisel maken kunt dat als proper voetbekleedsel het oog van de kritische klant ofte toeschouwer kan doorstaan. Ik heb gezegd en groet u allen met een warme knipoog en een knix, amen.

(Sauve, 30 november 2008)