weblog

Reisverslag #5: Guadalajara International Bookfair

Somos lectores

27 januari 2015

‘I am a poem,’ zeg ik als ik me voorstel aan dichter en uitgever Aleš Šteger , de eerste ochtend tijdens het ontbijt in het Real Inn hotel, dat recht tegenover het Festival International del Libro (FIL) de Guadalajara ligt. ‘Beetje moe nog,’ lach ik, terwijl hij me voorstelt aan de directeur van hun uitgeverij (Beletrina) en essayist Mitja Čander.

Ze hebben Gabriela Babnik meegenomen, een briljant auteur uit hun fonds die o.a. de European Union Prize for Literature kreeg toegekend. Gabriela vertelt me later dat de kranten in Slovenië bol staan van hun bezoek aan de grootste boekenbeurs van Ibero-Amerika. Twee jonge honden blijkbaar, Mitja en Aleš, die wordt verweten Gabriela te hebben ‘gekocht’. Ze hebben er veel plezier om. Vanwege migraine door de lange reis blijf ik die dag in mijn hotel op een wandelingetje na (zie foto). ‘Vliegvelden zijn een soort niemandsland,’ zegt Mitja met wie ik lunch. ‘Eerder het voorgeborchte,’ zeg ik, en we bestellen een glas wijn om dat maar eens te vieren.

Naast een boekenbeurs is het FIL ook een cultureel festival waarin literatuur de hoofdrol speelt. Schrijvers uit de hele wereld treden op en nemen deel aan intellectuele discussies. Geen poëziefestival zoals in Granada (Nicaragua) of Medellín (Colombia- zie mijn eerdere blog) die ik in 2012 en 2013 bezocht. Ik kom dan ook niet in een groep terecht met wie ik naar voordrachten ga, en ben blij veel met de Slovenen op te trekken. Maarten Valken en Agnes Vogt van het Letterenfonds zijn er ook, en we maken in Nederland een eetafspraak voor 10.000 kilometer verderop, waar ik hen voor het eerst zal ontmoeten.

Ik ben hier op voorspraak van de Argentijn Jorge Fondebrider, dichter en vertaler, die ik vorig jaar heb ontmoet op het poëziefestival in Colombia, Medellín. Hij presenteert twee boeken op de beurs, ik loop beide presentaties mis omdat ik pas erna arriveer. Argentinië is dit jaar country of honour (het land betaalt er veel geld voor), volgend jaar is het Engeland. Elke avond zijn er de meest fantastische muziekrecitals, ook te volgen via een groot scherm, dat ik vanuit mijn hotelkamer kan zien. Jorge spant zich in voor mijn poëzie. Hij plaatst gedichten op literaire sites in Latijns-Amerika en probeert mijn werk bij een Spaanstalige uitgever onder te brengen.

‘Somos Lectores’ (wij zijn lezers) is het parool van de beurs, die veel publiek en belangstelling trekt. Er zijn opvallend veel jonge mensen. Besteedt men hier in zo’n arm land geld aan dure boeken? Aleš vertelt dat mensen het hele jaar door sparen voor deze beurs en vaak maar één boek kopen. Ook zijn er boekhandelaren die hier al hun boeken bestellen voor de rest van het jaar: door de beroerde logistiek zijn veel boeken op een andere manier niet verkrijgbaar.

Vanuit Nederland heb ik al gemaild met uitgeverij Sexto Piso (De zesde verdieping) en la Otro. Beide reageerden niet. Jorge brengt me in contact met een van de broers / uitgevers van Sexto Piso die me vraagt nog een keer mijn gedichten te mailen. Aleš introduceert me bij zijn uitgeverij in Mexico: Arlequin, uitgever Felipe Ponce heeft interesse. Maarten Valken zegt me dat je een lange adem moet hebben in Latijns-Amerika als het op vertalingen aankomt, alles gaat traag.

In het kader van het Festival de Letras Europeas, onderdeel van het FIL, neem ik deel aan twee rondetafelgesprekken, hier in Guadalajara en later in de week in Mexico-Stad. In het publiek zitten vaak scholieren. Er wordt vertaald naar het Spaans (via koptelefoons) en naar het Engels. Onze moderator is de Mexicaanse schrijver Eduardo Antonio Parra. Aan tafel met mij zitten de romanschrijvers Antoine Volodaine (Frankrijk), Leena Parkkinen (Finland), Cynan Jones (Wales). Ik ben dus de enige dichter.

We beginnen maar meteen groot: of er zoiets als Europese literatuur bestaat? Uiteraard kan niemand daar een antwoord op geven, maar het gesprek begint. Ik zeg dat ik vooral bezig ben met ‘identiteit’. Eerst probeer ik dichter bij het wezen van de mens te komen, voordat ik aan zoiets als de Europese mens toekom. Het publiek wil vooral weten hoe we schrijven, met de pen of via de computer. Ik ben een rusteloze dichter, sta vaak op, doe de was en weer de was (net als Leena Parkkinen ), kijk weer eens op Facebook (de zaal lacht). Het schrijven van gedichten laat zich niet dwingen, al houd ik nog zo veel van discipline. Cynan Jones vergelijkt het schrijven met vissen: eerst hoop je een vis te vangen, daarna dat het een goede vangst is en vervolgens hoe je hem gaat bereiden, of hij smaakt. Treffend gezegd, al heeft hij het ongetwijfeld al vele malen verteld. Na afloop laten een paar mensen om hun boek door Antoine Volodaine en Cynan Jones signeren, van Leena Parkkinen is er een vertaling op komst.

Guadalajara is de tweede grote stad na Mexico-Stad. De naam komt van het Arabische Wadi al-hadjara, dat rivier (vallei) van de steen of rots betekent. De vochtigheidsgraad is hoog, mijn ogen branden aan het eind van de dag door de luchtvervuiling. De beurs is in een goede buurt van Guadalajara, maar ook hier veel armoede. Ik zie peuters en kleuters, vies en bedelend, op de brede trappen voor het Hilton hotel, die haast iedereen klakkend op mooie zomerhakjes of perfect herenschoeisel voorbijloopt. Ik schaam me. En denk aan een verhaal van Biesheuvel, uit zijn bundel Het wonder, waarin een man geen mens meer wil zijn, omdat er zoveel mensen lijden.

De dag erop, als ik mijn poëzie voordraag in Salón VIP de Tequilla Herradura, vraagt iemand uit het publiek of ik negatieve reacties heb gehad op mijn “erg open gedichten”. In kleine, rode fauteuils zitten ongeveer twintig toehoorders, die allemaal een uitdraai hebben van de door Diego Puls in het Spaans vertaalde gedichten, o.a. ‘Ik alleen heb een kutje’. In Nederland spreek ik het woord ‘kutje’ enigszins beschroomd uit (over taboes gesproken…), maar nu zij mij niet verstaan (ook al leest men de vertaling!) heb ik daar geen last van.

Ik alleen heb een kutje
als zeewier in bad of om een man gespannen huid
koele tegels, vaker dat vlees
er is dat nauwe, dat zoete, maar liever niet het stuwen
op een harde tl-middag als ik daar ben en jij niet.

Ik ben mijn geslacht
weg die kalverpoten die verleiden moesten
geen buik die hijgen gaat, mijn borsten
als ja mijn borsten iets anders doen
dan legt mijn hoofd zich erbij neer van een heel andere orde te zijn.

(Uit: Ik trek mijn species aan, Querido, 2014)

Ik vertel haar dat ‘Fabel mij’ mensen ontroert (zie vorige blog met filmpje van voordracht in Medellín), en een kleine hit was in Colombia. Ik heb nooit gemerkt dat men mij te schaamteloos of te open vond, maar heb geen jarenlange ervaring met optreden op dit continent. Ook nu valt ‘Fabel mij’ in de smaak, net als andere gedichten. De sfeer is geconcentreerd, intiem haast. Men serveert tequila, die van oorsprong uit Guadalajara komt en wordt gemaakt uit het sap van de Agave tequilana. Herradura, de beste die er is, valt eerst soepel en verspreidt dan een kleine vuurgloed.

Net als bij de tafelconferentie wordt er gezegd dat wij in Nederland geen taboes hebben. Toch wel, antwoord ik: ‘Schrijven over perversiteiten bijvoorbeeld, ’ maar om dat niet te hoeven verklaren (ik voel me ineens Nederlands) ga ik snel verder: ‘Als iets geen taboe is als schrijfonderwerp, wil dit nog niet zeggen dat het onderwerp geaccepteerd wordt door de maatschappij.’ Het verwart me lichtelijk.

Op de beurs heb ik mijn eerste tequila gedronken, samen met Mitja, in een lounge voor schrijvers. Hij slaat hem achterover als een Rus. Een oppepper voordat je gaat optreden, knikt hij, en hij zingt: ‘Reci Saša reci Saša …’ dat een running gag tussen ons wordt. ´Ze heeft alles, een mooie auto, een huis, maar waar is onze liefde gebleven, waar is toch onze liefde gebleven,’ vertaalt hij. ‘Reci Saša, gde je sada ljubav naša… van de band Novi fosili, in de jaren tachtig een populair liedje in voormalig Joegoslavië, maar helaas zonder mijn naam.

Die avond ga ik samen met mijn host, Diego Ponce, naar het diner dat de president van het FIL houdt voor alle schrijvers, hoogwaardigheidsbekleders en beroemdheden. ‘Mexicanen houden van feest vieren,’ zei Diego toen hij me ophaalde van het vliegveld in Guadalajara. Bijna elke dag is er wel iets bijzonders te vieren. Mexico valt onder het Meso-Amerika: een cultuur-historisch gebied dat zich uitstrekt van Centraal Mexico tot aan Nicaragua, waar de Maya- en de Aztekenculturen zijn ontstaan. Bijna elke dag is er wel een feestdag van de ene of de andere religie.

Zo was het paar weken terug Dia de los Muertes. De wat meer behoudende Mexicanen bezoeken begraafplaatsen om te eten met de doden, de begraafplaatsen worden versierd en verlicht. De doodscultus is overal, op markten kun je beschilderde schedels kopen, dodenmaskers, skeletten op fietsen, skeletten als bruidspaar, maar ook catrina’s, iconen van de Dia de los Muertes. La Calavera Catrina, ontworpen door de bekende Mexicaanse lithograaf en cartoontekenaar José Guadalupe Poseda. Een vrouwelijk skelet met lang haar in een Europese jurk van de upper class uit het begin van de twintigste eeuw. Ze zijn te koop in kleine kistjes op stro, of in allerlei maten van porselein. De dood is in Mexico net zo aanwezig als het leven.

Diego Ponce is bijna klaar met zijn rechtenstudie. Hij vervangt mijn oorspronkelijke host Rosalinda Mariscal Flores, die een school heeft opgericht waar ze pubers voorbereiden op de universiteit. Ze heeft het te druk. De universiteit doet veel voor stad. Diego doet me aan mijn zoon Ruben van 18 denken, niet door zijn uiterlijk, hoewel Diego duidelijk van de blanke Spanjaarden afstamt met zijn helderblauwe ogen, maar door zijn licht filosofische inslag, zijn manier van praten en denken. Vijfenzeventig procent van de bevolking is mesties, een vermenging tussen Europeanen, veertien procent is indiaan, tien procent blank en één procent is van Afrikaanse of Aziatische afkomst.

Diego en ik brengen een middag door in het historische centrum van Guadalajara met prachtige panden uit de Spaanse tijd. We bezoeken de immens grote markt, die overdekt maar wel open is, en waar alles te koop is, maar dan ook echt alles. De geur van de enorme witte vleesvellen van varkens doet me bijna kokhalzen. Ik koop er een paar mooi geverfde porseleinen schedels, tequila en snoep gemaakt van tequila. Van Rosalinda, die ik een paar keer ontmoet, krijg ik een dodenmasker, in de spiegeltjes zie je je eigen ziel.

Masker Rosalinda

Op het luxe feest dat wordt gegeven in het luxehuis van de president, die ook het grote filmfestival in de stad organiseert, zegt Diego dat hij er tegen op zag om mij te begeleiden. In het huis hangt veel kunst, waaronder een paar echte Picasso’s. De president heeft banden met de narcotica, vertelt Diego me de dag erop. Diego was eerst politiek actief maar is er mee gestopt, te gevaarlijk. Toch heeft hij goede hoop dat er iets in Mexico gaat veranderen. ‘Ze kunnen er nu niet meer om heen, door de moord op de studenten.’ Ik heb er een hard hoofd in, maar zeg dat niet.

Aan het einde van de week vlieg ik naar Mexico-City, waar ik verblijf bij de ambassadeur en zijn vrouw. Marc en Annedien Verschuur zijn pas vier maanden in Mexico gestationeerd, al lijkt het alsof ze al jaren hier zijn. Marc is attaché politiek, pers en cultuur. Vlak na aankomst bij hen krijg ik een uitnodiging van Jorge Fondebrider om langs te komen bij een dichter en zijn vrouw, vlakbij het huis van de ambassadeur. Het duizelt me, net het vliegtuig uit en nu fietsend (Annedien fietst mee) door niet alleen de grootste, maar ook hoogstgelegen stad ter wereld (2240 boven zeeniveau). Ik ben de dagen erna vaak licht in mijn hoofd, maar de luchtvervuiling is minder ernstig dan in Guadalajara. De stad heeft 8,8 miljoen inwoners, maar met het aantal voorsteden, het totaal aan elkaar vastgegroeide deel, wonen er 23 miljoen mensen.

Met een pasje kun je een rode fiets meenemen en die na drie kwartier weer parkeren. De dichter woont in een appartement dat dag en nacht een bewaker heeft die me naar de voordeur brengt van het appartement waar ik moet zijn. De buurt lijkt wel wat op Amsterdam-Zuid. Overal hippe koffietentjes, leuke winkeltjes en mooie huizen.

De dag erop is het rondetafelgesprek, in de Bibliotheek Vasconcelos, een prachtige, futuristische bibliotheek, ontworpen door de architect Alberto Kalach. Het gebouw is zo ‘open’ ontworpen omdat de architect hoopt dat de bibliotheek hierdoor meer bezoekers trekt, lees ik op de site van de bibliotheek.

Marc, begeleidt me ernaartoe. Een taxirit, die anders maar een minuut of vijf duurt, kost ons bijna drie kwartier. De stad is aan het dichtslibben vanwege de grote mars tegen de regering, die in de middag wordt gehouden. Eind september zijn er 43 studenten verdwenen, naar alle waarschijnlijkheid op brute wijze vermoord. ‘Teruggevonden’ zijn ze nog niet, al zegt men één student te hebben geïdentificeerd, waarschijnlijk een bericht om de gemoederen te kalmeren. Te laat. In de mars klinkt een echo van het bloedbad van 1968, toen na weken van opstanden tegen de regering driehonderd demonstrerende studenten en arbeiders met vrouwen en kinderen door de militairen werden doodgeschoten op het plein van de drie culturen (zie foto verderop).

Ook nu zijn er weer scholieren, een ervan stelt dapper in het Duits een vraag aan de Oostenrijkse romanschrijver Xaver Bayer. Sommige vragenstellers stellen lange vragen waarin ze hun eigen kennis laten horen, waarna je niet meer precies weet wat de vraag is. Men kijkt in dit land op tegen schrijvers en dichters. Ook nu weer de vraag naar Europese literatuur en identiteit, en welke literatuur ons heeft beïnvloed. Dit keer lezen we ook voor uit eigen werk. Er wordt ons gevraagd of we vertaald zijn. Xaver Bayer maant zijn ambassadrice tot het uitgeven van een boek met vertalingen van werk van Oostenrijkse schrijvers en dichters, zodat daarmee de boer kan worden opgegaan.

Plaza de las tres culturas

Na de discussie leidt Jan Albert Hootsen (journalist van o.a. Trouw) me door Mexico-Stad. We nemen een taxi. Als de chauffeur hoort dat ik een dichter uit Nederland ben, declameert hij rijdend een gedicht. Door de achteruitkijkspiegel zie ik hoe zijn bijna zwarte ogen glanzen. We rijden van de rijke wijk Condesa (het historische, prachtige centrum) naar het plein van de drie culturen, Plaza de las Tres Culturas, dat Jan Albert koste wat kost aan mij wilde laten zien. Het plein ligt in de wijk Tiatelolco, een veel mindere buurt in het district Cuauhtémoc, dat is genoemd naar de laatste heerser van de Azteken.

De drie culturen: de overblijfselen van Azteekse piramides (geen graven), waarin je her en der de ‘handtekening’ ziet van degene die eraan bouwde (zie foto), de kathedraal van Santiago die de Spanjaarden bouwden uit het vulkanische gesteende van de piramides, en tenslotte het Ministerie van Buitenlandse Zaken. En een rij flats uit de jaren zeventig die aan de Bijlmer doen denken. Hier speelde in 1521 het laatste verzet van de Azteken zich af, waarna de Spanjaarden 300 jaar over Mexico heersten. Maar dus ook het bloedbad van 1968. Militairen achtervolgden de mensen tot in de flats en schoten iedereen die ze tegenkwamen dood, ook de mensen in de flats, die niets met de demonstratie te maken hadden.

Handtekening bouwer in piramide

Het is filmisch. Deze declamerende chauffeur. Deze rit door het idioot drukke centrum. De chauffeur, die ook docent filosofie en geschiedenis is maar daar niet van kan rondkomen. Hij werkt gelukkig wel in een goede buurt van de stad, in het noorden is dit werk erg gevaarlijk. Overal worden we opgehouden, omdat de mars tegen de regering is begonnen.

Jan Albert zal me nog laten weten van wie het gedicht is, hij wil me er wat meer over schrijven. In ieder geval niet van Octavio Paz, van wiens werk de chauffeur niet houdt. Octavio Paz gold en geldt nog steeds als dé dichter van Mexico, ook al heeft hij een hekel aan die uitverkiezing. Terug in Nederland lees ik Jan Alberts artikel in Trouw dat de situatie in Mexico dreigender is geworden. Burgermilities op het platteland (met name in Zuid-Mexico) grijpen naar de wapens om hun opstand tegen de regering kracht bij te zetten. Jan Albert heeft denkelijk iets anders aan zijn hoofd dan poëzie. Vanaf het plein lopen we terug naar het hart van de stad, naar Monumento a la Independencia, de Engel van de onafhankelijkheid in de volksmond, opgericht in 1910, het begin van de Onafhankelijkheidsoorlog. Een veel grotere opkomst dan men voorspelde, zegt Jan Albert me.

Het is erg goed toeven bij de ambassadeur en zijn vrouw. Hun dochter en haar twee vriendinnen hebben net hun eindexamen gedaan. Ze werken in een opvangcentrum voor daklozen, waaronder veel tienermoeders. Op de laatste dag fiets ik naar het Museo Nacional de Antropología. Elke zondag is een groot stuk van de Passeo de la Reforma vrij van auto’s, een brede avenue die diagonaal door het hart van de stad loopt. Mexicanen kunnen gratis gebruik maken van de rode fietsen. Onderweg zie ik een jonge vrouw met haar hoofd in een plas bloed liggen, gevallen van haar fiets. Ik ben Amsterdam gewend, maar zit toch met verkrampte armen aan het stuur, buiten het vrije gedeelte zijn er nauwelijks fietspaden. In het museum zijn veel jonge gezinnen, op zondag kunnen de Mexicanen gratis naar alle musea.

Iedereen is een gedicht, zegt Octavio Paz (zie citaat), maar ik ben ook, vooruit een klein beetje dan met dank aan Mitja, een liedje:

Citaat Paz:
‘De mens is het onaffe, hoewel hij echt is in zijn onvoltooidheid; en daarom maakt hij gedichten, beelden waarin hij zichzelf realiseert en voltooit zonder zich ooit helemaal volledig te voltooien. Hij is zelf een gedicht: hij is altijd voortdurend in staat zijn om volledig te zijn en om zich zo te voltooien in zijn onvoltooidheid’.
(Octavio Paz Zonnesteen, 1990, pp 132-133 ; vert. Laurens Vancrevel, Jan Lechner en Gerbrand Muller.)

Sasja Janssen, 30 november- 8 december 2014

Schrijver

Sasja Janssen

(1968) schreef de goed ontvangen dichtbundels Papaver (2007) en Wie wij schuilen (2010, genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs). Eerder verschenen van haar hand de romans De kamerling (2001) en Teresa zegt (2005). Haar werk verschijnt bij uitgeverij Querido. Momenteel werkt ze aan haar derde dichtbundel. Ze geeft Nederlands als tweede taal aan inburgeraars en expats, naast cursussen zakelijk schrijven en spelling voor Nederlandstaligen. Begin juli 2013 nam ze deel aan het International Poetry Festival in Medellín (Colombia) waarvoor ze van het Fonds een bijdrage in de reiskosten ontving.

Bekijk alle weblogs van Sasja Janssen