weblog

12 en 13 december 2014

Zestiende Literaire Vertaaldagen

23 december 2014

‘Vertalers met de billen bloot – mythes en legendes van het literair vertalen’ was het thema dat op vrijdag 12 december 361 literair vertalers en andere belangstellenden griepepidemie en winterstormen deed trotseren om naar de Rode Hoed in Amsterdam te komen. Een thema waarbij diverse vragen aan de orde zouden komen, zoals: kun je een boek ook vertalen zonder het van tevoren te hebben gelezen? Kun je ook vertalen in een andere taal dan je moedertaal?

Kun je je vertalingen ook maken met behulp van een dicteerprogramma en de nodige vertaalsoftware? Kan een spoedvertaling die wordt uitgevoerd door een gelegenheidsformatie ook tot goede resultaten leiden? En ten slotte: mag een vertaler fragmenten weglaten die hij of zij niet opportuun acht?

Peter Bergsma sneed in zijn openingsrede een aantal taaltaboes aan die vroeger bij hem thuis golden, zoals het gebruik van de woorden ‘wagen’ (voor ‘auto’), ‘kostuum’ (voor ‘pak’), ‘colbert’ (voor ‘jasje’), ‘pantalon’ (voor ‘broek’) en ‘koelkast’ (voor ‘ijskast’). Die taboes, zei hij, zijn altijd blijven hangen en zullen dan ook nooit in zijn vertalingen voorkomen, tenzij het register van de brontekst daartoe aanleiding geeft. Ook memoreerde hij het overlijden, op 11 september jongstleden, van Nelleke van Maaren, een prominent lid van de Nederlandse vertaalwereld. Zij was behalve vertaler van een groot en gevarieerd oeuvre een onvermoeibare pleitbezorger voor de belangen van literair vertalers, zowel nationaal als internationaal. Ook stond ze mede aan de wieg van het Vertalershuis Amsterdam.

Eerste spreker Rob van der Veer, vertaler uit het Engels en Afrikaans, legde onder de titel ‘Nergens voor nodig, de schrijver leest het ook pas achteraf’ uit waarom het van tevoren lezen van een te vertalen boek zijns inziens onnodig is. ‘Een boek wel of niet lezen, een schrijver wel of niet waarderen – dat staat allemaal los van een goede vertaling. Bij een goede vertaling komt vakkennis kijken, en de enige liefde die je van een vertaler mag verlangen is de liefde voor zijn of haar vak. Of je een boek mooi vindt, of een boek je aanspreekt – dat is eigenlijk niet interessant. Het enige wat je zou moeten kunnen schelen is of het boek mooi is geschreven. Maar zelfs dat is geen voorwaarde. Waardering voor de schrijver, waardering voor het boek, waardering voor de schrijfstijl – het is allemaal van korte duur. Wat blijft is het genieten van je ambacht, het weergeven van woorden, het opbouwen van zinnen, het vinden van ritme en cadans, de inkleuring van een tekst, het appel aan je eigen vernuft. Je uitgangspunt is dat de schrijver zijn mooiste boek ooit heeft afgeleverd, en dat jij die schoonheid in al zijn facetten voor de Nederlandse lezer ontsluit. (..) Een boek eerst lezen voordat je het gaat vertalen voegt niet echt iets toe. Je bent zo ontzettend lang bezig met de vertaling dat zo’n aanloop niet echt nodig is. Bovendien is de verrassing weg. Je bent niet meer de ideale lezer. Het feit dat mensen zoiets van je verwachten bewijst eens te meer hoe slecht de buitenwereld op de hoogte is van het hele vertaalproces.’

Rob van der Veer spreekt tijdens de Literaire Vertaaldagen 2014

‘Native vertaler Nederlands-Spaans gezocht’ was de titel van de lezing van Goedele De Sterck, van oorsprong Vlaamse, en dus Nederlandstalig, maar al sinds 1989 woonachtig in Spanje en ruim twee decennia werkzaam als literair vertaalster Nederlands-Spaans. ‘Sinds die tijd leef ik in mijn andere taal, met haar nuances, connotaties, registerverschillen, humor, emoties, geografische eigenheden.’ Goedele noemde een aantal ‘steunberen’ die ervoor zorgen dat anderstalige vertalers onder bepaalde voorwaarden wel degelijk een goede literaire vertaling kunnen leren maken in een andere dan hun moedertaal, zoals niet alleen het deelnemen aan vertaalworkshops, waarin je je eigen vertaalpraktijk kunt spiegelen aan die van ‘native’ collega’s, maar ook het leiden ervan, zodat je gedwongen wordt je eigen vertaalkeuzes te verantwoorden. ‘Ben ik als vertaler in een andere dan mijn moedertaal een vreemde eend in de bijt? Nee, ik ben een kind van mijn tijd. We hebben hier immers te maken met een trend die zich wereldwijd doorzet. De verhoogde mobiliteit in een geglobaliseerde wereld mondt uit in een toenemende hybridisering, waardoor het moedertaal principe tot een mythe verwordt. (…) De wereld is onderhevig aan verandering, ook de vertaalwereld. De overtuiging dat een vertaler alleen in zijn moedertaal kan en mag vertalen verliest terrein in een wereld zonder grenzen waar steeds meer mensen, onder wie auteurs maar ook vertalers, hun geboorteland inruilen voor een ander land en een andere taal. (…) Ikzelf sta gewoon met één been in de Nederlandse taal en de Nederlandstalige cultuur en met het andere in de Spaanse taal en de Spaanstalige cultuur. Ik heb niet het gevoel dat mijn leven zich afspeelt tússen twee tegengestelde culturen, maar veeleer ín twee culturen die elkaar aanvullen. Dat ervaar ik als een verrijking, een stimulans ook om beide talen zoveel mogelijk te koesteren.’

‘Maar ik vertaal het écht allemaal zelf hoor’ luidde de geruststellende naam van de lezing waarin Huub Stegeman, vertaler van fictie en non-fictie uit het Duits en het Engels, uiteenzette hoe de computer – en de daarbij behorende vertaal- en dicteersoftware – je kan helpen, maar ook voor de voeten kan lopen bij het vertalen. ‘Voordat ik een aantal jaren geleden boeken begon te vertalen en definitief kon stoppen met de handleidingen, webpagina’s en productbeschrijvingen die ik daarvoor vertaalde, werkte ik in een wereld waarin verregaande ondersteuning door software de normaalste zaak van de wereld was. Die software hielp ons netjes, snel en uniform werk af te leveren. Niks mis mee dus, gewoon goed gereedschap voor het ambacht. (…) Persoonlijk beschouw ik het goed vertalen van een mooi boek óók als een ambacht, maar ik weet dat er mensen zijn die het een kunst vinden, en kunst is iets heiligs, nietwaar? Geen sprake van dat je dat door een computer laat doen en er vervolgens je eigen naam onder zet.’ Toch kan het ‘Computer Aided Translation’-programma ook nuttig zijn voor vertalers van fictie- en non-fictieboeken. ‘Door de digitale brontekst bij de vertaling te houden – je moet dan wel een Word-bestand of pdf van de uitgever hebben – loopt het programma de vertaling zin voor zin door, zodat je nooit meer stukken tekst vergeet te vertalen en heel snel kunt terugvinden hoe je een bepaalde term eerder hebt vertaald. (…) Ook kun je tegenwoordig aan de computer dicteren. Hoewel die qua accuratesse nog niet te vergelijken is met een fatsoenlijke Schoeversgeschoolde, is hij wel twee tot drie keer zo snel als jijzelf.’ Huub besloot met de constatering dat hij een eventueel literair taboe rond het gebruik van dit soort hulpmiddelen misplaatst vindt. Hij zei te beseffen dat hij de technische ins en outs niet in twintig minuten kon uitleggen, maar misschien kan daar nog eens een speciale workshop aan worden gewijd.

Tijdens de lunch was er in een apart zaaltje gelegenheid om vertaalzondes op te biechten, die werden opgenomen met een webcam. Na een aarzelend begin bleken uiteindelijk zeventien vertalers bereid hun doopceel te lichten.

Na de lunchpauze werd er allereerste een taboespel gespeeld, bedacht en gepresenteerd door Astrid Huisman. Er werd een dertigtal vragen gesteld over literaire taboes, zoals: ‘In welk jaar vertaalde Nabokov zijn roman Lolita zelf in het Russisch?’; ‘In zijn vertaling van Der Zauberberg maakte Pé Hawinkels van “der schwer keuchenden Lokomotive” “de door rokershoest geplaagde locomotief”. Wat doet de locomotief in de nieuwe vertaling van Hans Driessen?’; ‘In welke gedaante liet Gerard Reve God terugkomen in Nader tot u?’ en ‘Over welke brug in Istanbul gaat De brug van Geert Mak?’ Iedereen die een vraag fout had moest gaan zitten, en de laatste die nog overeind stond was Elise Vanoosthuyse van het Vlaams Fonds voor de Letteren. Zij ontving een gesigneerd exemplaar van Made in Europe van Pieter Steinz.

‘Er zijn mensen die er helemaal niet van houden: samen vertalen. Ik zweer erbij,’ zo begon Gerda Baardman, literair vertaalster uit het Engels, haar lezing met de titel ‘Met z’n allen’. ‘Dan heb ik het niet over de kamikazevertaling met een team vertalers die elkaar niet kennen, die door uitgevers bij elkaar zijn gezocht, elk een willekeurig stuk toegewezen krijgen en elkaars tekst pas zien nadat alles is geredigeerd door een eindredacteur die door de uitgever is aangesteld. (…) Ik heb het over de meerpersoonsvertaling die wordt gemaakt door twee collega’s – of meer – die elkaar hebben uitgezocht omdat ze elkaars manier van werken kennen en waarderen, omdat ze graag met elkaar werken en omdat ze op elkaars deskundigheid en kritische blik vertrouwen om samen een betere vertaling af te leveren dan ze in hun eentje hadden gekund. (…) Ze overleggen voortdurend, per mail of chat, per skype of samen aan tafel met de laptop. Ze wijzen elkaar op dingen die de ander heeft gemist of die verderop in de tekst opnieuw voorkomen maar dan in een andere context, zodat ze anders moeten worden geformuleerd om herkenbaar en toepasselijk te blijven. (…) Ze herkennen elkaars bloopertjes, vissen die eruit en lachen er dan samen om. (…) Natuurlijk moet je elkaar een beetje liggen. Samenwerken met iemand van wie je niets begrijpt of die je zelfs irriteert is ondoenlijk. Gelukkig hebben de meeste vertalers wel een paar basistrekken gemeen: ze houden doorgaans van boeken, van taal, en ze zijn vrij geduldig. (…) Als aan die voorwaarden is voldaan, is niets plezieriger en leerzamer dan samenwerken met collega’s.’ Na afloop van de lezing van Gerda werd vanuit de zaal een relevante vraag gesteld: zou er niet een soort Marktplaats voor meerpersoonsvertalingen kunnen komen waarop gegadigden zich kunnen aanmelden?

In ‘Past Anna Karenina in tachtig pagina’s?’ boog Hans Boland zich over het bewust weglaten van – naar het oordeel van de vertaler – irrelevante passages uit de brontekst. ‘Ik ben ongetwijfeld voor deze lezing met dit thema aangezocht vanwege mijn vertaling van Tolstojs Wat is kunst? Joost Zwagerman schreef er een recensie over voor de Volkskrant. Hij vergiste zich, wat mij betreft, op twee punten: in de eerste plaats vond hij dat het boek “fijn weglas”, zonder zich af te vragen of dat aan Tolstoj dan wel aan de vertaler lag. Het tweede was het geval, zoals ik straks hoop duidelijk te maken. Daarnaast verbaasde het me dat Zwagermans Wat is kunst?, hoe fijn de tekst ook weglas, niet meer dan één ster waard achtte. Omdat hij Tolstojs denkbeelden over die kunst zo onbenullig en bekrompen vond. Met recht. (…) De Volkskrant was zo vriendelijk mijn reactie op Zwagermans recensie te plaatsen. Ik schreef daarin: “Nooit eerder had een vertaling me zoveel moeite gekost. Ik heb het stuk viermaal min of meer from scratch doorgewerkt. De laatste keer heb ik een kleine twintig procent van de tekst… doodleuk geschrapt. Dat is natuurlijk een halsmisdrijf voor een literair vertaler. Niettemin voelde ik me genoopt tot zo’n ingreep over te gaan, en wel uit puur mededogen met de ijverige en geïnteresseerde lezer die de moeite zou nemen Tolstojs “opinies” over kunst te doorgronden.” (…) Want waarom zou je voor een goed opgevoed publiek een waarheid als een koe twintig keer moeten herhalen? De lezer – en zelfs de lezeres – denkt bij de vijfde keer: ja, nu weten we het wel, waarna zij tijdens de rest van het boek de frase overslaat, als ze überhaupt al verder leest. Om dit te voorkomen besloot ik tot een grootschalige ingreep: schrappen, schrappen, schrappen. Zo verloor het boek, aanvankelijk tot mijn schrik maar weldra tot mijn voldoening, bijna twintig procent van zijn omvang. De tekst knapte er enorm van op, en toont aldus op overtuigende wijze dat een literaire vertaling met kop en schouders kan uitsteken boven het origineel. (…) De vertaler Russisch die gebrand is op goed Nederlands, dat wil zeggen de literair vertaler Russisch, moet ontzettend uitkijken met de “maartjes” en “nogjes” en “zelfsjes” en “ookjes” en vooral “heelergzeertjes”, die in het mooiste Russisch kunnen vloeien als de wodka – rijkelijk. Een Nederlandse schrijver, dus ook een Nederlandse vertaler, valt onachtzaam taalgebruik te verwijten wanneer hij zonder diepere noodzaak in één zin twee keer “ook” gebruikt of vier keer “maar” laat vallen op één pagina, terwijl al die rommel heel goed opgeveegd kan worden (wat vrijwel altijd, nee, altijd mogelijk is). In het Russisch worden zulke oneffenheden niet (of minder snel) opgemerkt, ook niet door Poesjkin of Tsjechov, simpelweg omdat ze niet of minder snel als oneffenheden worden beschouwd. De vertaalwetenschapper en recensent hebben ondertussen de mond vol van sfeer en register, in plaats van eerst eens te beginnen met de vertaler ter verantwoording te roepen voor de rommel die hij achterlaat. (…) Uiteraard is “minder” ook op een complexer niveau dikwijls beter. De slotzin van Dostojevski’s Duivels luidt woord voor woord: “Onze medici na openlegging [van het] lijk volledig en vasthoudend verwierpen krankzinnigheid.” Bij mij zijn deze tien woorden teruggebracht tot vier (eigenlijk drie): “Hersenautopsie sloot krankzinnigheid uit.” (…) Want een adequate vertaling is iets heel anders dan een “letterlijke” vertaling.’

Op de laatste lezing volgde de vertoning van een hilarische compilatie van de ‘vertaalbiechten’, gemaakt door videokunstenaar Stijn van der Loo. En tot besluit van de eerste Vertaaldag werden de Vertaalprijzen van het Nederlands Letterenfonds uitgereikt aan de Servische vertaalster Jelica Novaković-Lopušina en de Nederlandse vertaler Paul Beers.

Op zaterdag 13 december vond in het Amsterdamse Montessori Lyceum de gebruikelijke vertaalworkshopdag plaats, met als ‘bijzondere’ edities dit jaar twee workshops poëzie-vertalen Nederlands-vreemde taal en een workshop ‘Spreken in het openbaar’. Aan de workshops werd deelgenomen door 184 vertalers.

Vier van de vijf lezingen die op vrijdag 12 december zijn gehouden zijn hier te lezen:
- Goedele de Sterck: ‘Native vertaler Nederlands-Spaans gezocht’
- Huub Stegeman: ‘Maar ik vertaal het écht allemaal zelf hoor’
- Gerda Baardman: ‘Met zijn allen’
- Hans Boland: ‘Past Anna Karenina in tachtig pagina’s?
- het taboespel van Astrid Huisman

Zie ook:

Alle weblogs van Peter Bergsma

Peter Bergsma

Directeur Vertalershuis

bureau

Peter Bergsma is vertaler van onder anderen Coetzee, Faulkner en Hemingway, directeur van het Vertalershuis in Amsterdam en voorzitter van RECIT, het netwerk van Europese vertalershuizen.

p.bergsma@letterenfonds.nl

lees meer