weblog

Nanfang International Literary Festival

‘You touch me so much’

8 september 2014

In de Zuid-Chinese stad Guangzhou, met 12 miljoen inwoners een van de grootste steden van China, werd van 18 tot 24 augustus het Nanfang International Literary Festival georganiseerd. Guangzhou, het vroegere Kanton, is een merkwaardige combinatie van oude resten en onstuitbare oprukkende nieuwbouw. De razendsnelle economische groei is overal zichtbaar.

Alleen hier en daar zijn nog gebouwtjes te zien die niet spiksplinternieuw zijn. Je gevoel voor wat oud is gaat ook snel kantelen; na een week roept een flatgebouw uit de jaren zeventig al warme nostalgische gevoelens op. Aan de rand van de snelweg loopt een oude man met een handkar, op zijn hoofd een strooien hoed. Hij kijkt niet op of om tussen het langsrazende verkeer.

Het festival vindt – onder het motto ‘Start Thinking’ – plaats in een gigantisch conferentiecentrum, dat nog het meeste weg heeft van een luchthaven. Het klimaat in Guangzhou is subtropisch, wat betekent dat de klamme hitte je tegemoet slaat zodra je je buiten waagt. Maar in de zalen van het conferentiecentrum staat de airco hard aan, zodat ik loop te huiveren in mijn zomerkleren.

Conferentiecentrum

Het festival trekt duizenden bezoekers. Vooral bij de populaire Chinese auteurs, onder wie Nobelprijswinnaar Mo Yan, staat het publiek te dringen. En dan is er nog een conferentie georganiseerd over de positie van de Chinese literatuur in het buitenland. Dit onderwerp is des te urgenter sinds de staat uitgevers verplicht heeft gesteld om tenminste vijftig titels per jaar aan hun buitenlandse collega’s te verkopen – het Chinese kapitalisme werkt blijkbaar nog altijd met communistische quota. Literair agent Toby Eady, die al meer dan 30 jaar geregeld China bezoekt, is van de partij, net als David Parrish, directeur Oost-Azië van Penguin Random House, mijn collega Maarten Valken, die zich de afgelopen jaren sterk heeft gemaakt voor de vertaling van Nederlandse literatuur en non-fictie in het Chinees, en Mark Leenhouts, sinoloog en vanaf het eerste uur als tolk betrokken bij de China-reizen van het Letterenfonds. Zij vertellen de veelal jonge Chinese redacteuren en schrijvers hoe in tien jaar tijd de Nederlandse literatuur voet aan de grond kreeg in China, met een spectaculaire groei van enkele tientallen vertaalde titels in 2004 naar meer dan vierhonderd titels tien jaar later.

Het festival is ook een goede gelegenheid om de Nederlandse literatuur onder de aandacht van het publiek te brengen. Het speciaal voor de gelegenheid gemaakte Nederland-paviljoen springt onmiddellijk in het oog, met grote affiches van Nijntje en Geert Mak. Er zijn bovendien vier auteurs uitgenodigd om acte de présence te geven: socioloog Abram de Swaan, wiens boek over taaldiversiteit Woorden van de wereld in vertaling uitkwam; Kader Abdolah, die over zijn eveneens vertaalde roman Huis van de Moskee komt vertellen; filosoof Jos de Mul, van wie meerdere boeken over sociale media en de digitale wereld in het Chinees zijn vertaald en Jelle Reumer, evolutiebioloog en directeur van het Rotterdamse Natuurhistorisch Museum, van wie De ontplofte aap – opkomst en ondergang van de mens in vertaling uitkwam.

Lezing Abram de Swaan

Meteen aan het begin van het festival geeft deze delegatie een persconferentie, waar meer dan vijftig journalisten verschijnen – kranten, radio, online tijdschriften en zelfs de televisie besteedt aandacht aan de Nederlandse literatuur. De verslaggevers stellen vragen over Nederlandse literatuur in China en over wat er bij ons aan literatuur uit hun land verschijnt.

Publiek bij persconferentie

Verder geven de Nederlandse auteurs lezingen, soms voor honderden mensen. Abram de Swaan – grijs haar, keurig in pak – zit tegenover een honderdtal jonge mensen in T-shirt, korte broek en slippers. Ze kijken hem afwachtend aan. ‘Mij is gevraagd’, begint hij, ‘iets over mezelf te vertellen. Over wie ik ben.’ Hij wacht even en vervolgt: ‘Dat is een vraag die ik mijzelf al vanaf mijn achtste jaar stel, en ik ben er nog steeds niet helemaal uit.’ De zaal lacht. De Swaan vervolgt zijn verhaal, het publiek hangt aan zijn lippen. Zijn boek, een beschouwing van het mondiale talenstelsel, gaat in op taaldiversiteit en dus ook op diversiteit van religie en etniciteit. Dat zijn gevoelige kwesties in China, waar 56 etnische groepen meer dan 80 talen spreken – het Mandarijn is daar slechts één van.

Elders in de stad, in het museum van Guangzhou, vertelt Jelle Reumer op zijn kenmerkende enthousiasmerende wijze over de verwantschap tussen vissen en vogels. Na afloop krijgt hij een handgeschreven briefje van een scholiere: ‘Dear Doctor, thanks for your encourage – it is you that make me want to know more about paleontology. You touch me so much!’ Ondertussen geeft Jos de Mul een lezing over de politieke en economische implicaties van nieuwe media. Na afloop ontstaat een levendige discussie over de verslavende werking van de mobiele telefoon en sociale media, gevolgd door een lange signeersessie.

Ook Kader Abdolah trekt een volle zaal. Hij vertelt over zijn leven, hoe hij als schrijver moest vluchten voor de dictatuur in Iran en toen in Nederland terecht kwam, waar je kunt schrijven wat je wilt. Hij gaat daar nader op in: wat betekent vrijheid van meningsuiting voor een schrijver? Hoe ontwikkelt zich een literatuur die in vrijheid wordt geschreven? Hij beschrijft hoe ongebonden onze kunstenaars zijn, hoe veelkleurig daarom de Nederlandse letteren. Nederlandse auteurs kunnen vrijuit schrijven over politiek! Over seks! Of over niets! Vooral dat laatste lijkt indruk te maken. Je kunt een speld horen vallen.

Steeds is de vraag hoeveel ruimte er is voor dergelijke brisante onderwerpen. Onze gesprekken met Chinese collega’s stokken af en toe als een nieuwe gesprekspartner zich in het gesprek mengt – maar is dat beleefdheid of angst voor informanten? Veel van de mensen die we ontmoeten vertellen dat Guangzhou een stuk liberaler is dan Beijing. ‘De bergen zijn ver verwijderd van de keizer’, lachen ze. Maar een vertaalster vertelt me dat literatuur nog altijd nauw verweven is met de politieke macht. We bezoeken een prachtige boekhandel, waar de vertaling van Lolita bij de nieuwe uitgaven ligt. Ook opent deze week een grote nieuwe boekwinkel, die dag en nacht open is.

Op het festival zwermen voortdurend tientallen enthousiaste vrijwilligers om ons heen. Ik spreek een van hen wat langer – hij wil zijn Engels oefenen en later, later wil hij de handel in en rijk worden, iets van de wereld zien en zeker niet iets met literatuur gaan doen. Als ik later een jonge medewerker van een literair tijdschrift ontmoet, vraag ik hem hoe hij erbij kwam om zich aan de literatuur te wijden. Hij lacht verlegen en zegt dat hij een rare uitzondering is, dat zijn broers er niets van begrijpen, dat zijn oma en zijn tantes hem in zijn jeugd verhalen vertelden en dat hij sindsdien van literatuur houdt. Kundera, Naipaul, Burroughs, hij kent ze allemaal.

In zo’n stad, met een snel groeiende bevolking en een overbelast wegennet, sta je eindeloos in de file. Maar ook dat kan een voordeel zijn. In de auto terug naar het hotel raak ik aan de praat met een meisje dat meewerkt aan het festival. Ze vertelt over haar studie, over hoe de betere opleidingen meer geld kosten, terwijl haar ouders al erg hoge kosten hebben vanwege de boetes die ze moeten betalen omdat ze twee kinderen hebben: een kind extra kost ze een paar jaarsalarissen. Het meest choquerend is nog dat ze dit volkomen normaal vindt: niets aan te doen, zo is het nu eenmaal.

Een belangwekkende vraag is hoe de wilde koers die het Chinese kapitalisme vaart, zal worden ingedamd en geciviliseerd. Op welke manier en in welke richting? Aan de ene kant is het haast niet voorstelbaar dat al die zelfbewuste jonge mensen, die zich wereldburger voelen en goed geïnformeerd willen worden, zich zullen laten beperken door de regering. Aan de andere kant heeft democratie in dit land haast geen geschiedenis en is repressie misschien niet direct zichtbaar, maar zeker wel aanwezig.

Deze eerste kennismaking met China was enerverend en verwarrend. Dat zal voor een deel te maken hebben gehad met de jetlag, waardoor ik ‘s nachts de slaap niet kon vatten en langs de vele tv zenders zapte, me verbazend over de eindeloze hoeveelheid soaps, historische series en talentenjachten. Vanuit mijn raam keek ik uit op de verbijsterend hoge Canton Tower, het op een na hoogste gebouw ter wereld. Europa leek erg ver weg, een soort Madurodam – pittoresk, veilig, maar onbetekenend.

Mireille Berman

Non-fictie specialist

buitenland

Non-fictie specialist

m.berman@letterenfonds.nl

lees meer