weblog

Banff, 9 - 29 juni 2014

Into the Wild

19 augustus 2014

Zeuren loont, maar nu was een terloops verzoek genoeg om te mogen verhuizen van een doorsnee-kamer naar eentje met een spectaculair uitzicht én een balkon. Het was de vierde keer dat ik voor de literatuur in Canada was en ik kende Banff, in de Rocky Mountains, al van uitstapjes vanuit Calgary. De wildernis begint er zodra je de deur uitgaat. Ja, een zwarte beer gezien, volop elanden en een kudde dubbelgehoornde reuzegeiten.

‘Maak lawaai, ga minstens met z’n vieren op pad. Ze hebben jongen, en honger,’ heette het. Daar hadden de Einzelgänger en vogelaar onder ons geen boodschap aan, ook een teek kan je het leven kosten, maar dat klinkt te stoer. Persoonlijk heb ik nooit alleen gewandeld en zelfs boodschappen in het centrumpje deed ik in gezelschap.

Het Banff Centre, waar we verbleven, is de top, en niet alleen om de locatie. Het is opgezet voor hoogwaardige workshops en conferenties. In mijn tijd kwamen er onder meer astrofysici en traumatologen bijeen, en door de Arts-afdeling was veel interessants georganiseerd op het gebied van de kunsten, met name muziek, dans, film en literatuur. Op het terrein is een theater en een muziekhal, met de nodige ateliers en studio’s. Er is een goed gerunde bibliotheek, waar ik uitstekend uit de voeten kon. Er zijn restaurants en café’s. Er is een eigen postkamer, een zwembad, een fitnessruimte. In de hotels zijn lounges om feestjes te bouwen of op een groot scherm tv te kijken. De excursies zijn met zorg georganiseerd.

Ik ging naar de boekpresentaties (o.a. de nieuwe van Joseph Boyden, een van de gasten) en de concerten (kamermuziek, maar ook klassieke zang met de Amerikaanse sopraan Dawn Upshawn), en in ieder geval naar de bijeenkomsten over literair vertalen, daar waren we per slot voor uitgenodigd. We waren met ruim twintig, inclusief een paar ‘consulting translators’, en daarnaast wisselende gasten, die meestal een week bleven. Vijf genodigden kwamen maar van buiten de Amerika’s: Jiri uit Praag, Bethul uit Istanbul, Debby uit Tel Aviv, Mohammed uit Iran, en ik, de onvermijdelijke Nederlander.

De verwennerij was enorm. Er stond steeds vriendelijk en kundig personeel klaar om afspraken te regelen of te helpen bij problemen, bijvoorbeeld met printen. Van de vier consultants heb ik weinig gebruik gemaakt; ze hielpen onder meer bij het voorbereiden van je presentatie, want iedereen vertelde om de beurt over het project waarvoor hij daar was. Voor mijn vertaalproblemen klampte (en klamp) ik Alejandro Crotto aan, een jonge dichter uit Buenos Aires, dol op Borges. Hij was een van de speciale gasten.

De locatie, accommodatie en sfeer waren optimaal, maar drie weken op elkaars lip betekent wel een eilandsituatie. Er groeide een clan-gevoel, waarvan niemand werd buitengesloten; vriendschappen voor het leven en ook liefdes bloeiden op. Nadeel is dat het moeite kost om af en toe alleen te zijn. Ik loste dat op door niet steeds met de anderen te eten en Vistas, waar een vaste tafel was gereserveerd, te mijden. Restaurant MacLab, onder de bibliotheek, was trouwens lekkerder (geen buffet-eten!) en ook daar schoof vaak iemand aan, soms zelfs de halve groep.

Het werd een clan, die na drie weken ruw uiteenviel, met als gevolg al meteen bedroefde mailtjes vanaf de luchthavens. ‘Miss you all!’ ‘Where are you?!’ ‘Hug!’ (Ik zat intussen in een vliegveldbar naar een staartje Mexico-Nederland te kijken.) Via een blog of FB wil de groep per se een groep blijven. Ik bedenk hoe ik eens riep dat ik niet voor mijn geluk in Banff zat (al was ik er gelukkig). Iedereen lachen, maar het was geen grap.

Er zit nog een nadelig kantje aan dat dikke met elkaar. Er heerste een wat politiek correcte sfeer. Dat kwam ook doordat de persoon (Katherine Silver) die de sessies voorzat, leek te balen als het pittig werd. Ze noemde me een keer ‘mean’, en dat slaat toch nergens op.

‘Waar ga jij naar toe?’ vroeg de Mexicaanse dichter Francisco Segovia toen hij me op alweer een gezellige avond de Writers Lounge uit zag glippen.

‘A la cama? Bueno, no,’ zei ik.

‘A la soledad,’ zei hij, een beroemd gedicht citerend.

Maar je mocht je verlangen naar alleen-zijn niet echt laten merken.

Ik was zo ‘brave’ (Jiri) om me achteraf los te maken, wat een stroom van soms dertig extra e-mails per dag scheelt. De relevante of 1 op 1-post komt m’n kant wel op.

Nog een minpunt was de nadruk buiten het officiële gedeelte om op eigen werk. De helft van ons was naast vertaler ook schrijver en liet die hoedanigheid graag prevaleren tijdens de open mikes. Soms was het trouwens heel goed wat ik hoorde. Ik deed zelf mee door mijn sonnet over Louis van Gaal (Hard gras, 2006) op te diepen en te laten vertalen door Francisco (in het Spaans) en de Canadees Mark Field (in het Engels). Het was WK of niet en de Clockwork Orange onder leiding van Van Gaal trok ook hier de aandacht.

Francisco hield spontaan een extra lezing over ons hogedrukprojectje, en zo werd het toch nog een vertaalaangelegenheid. Heel prikkelend was Francisco’s idee van een ‘ghost text’ tussen het origineel en de vertaling in, te vergelijken met het begrip ‘proto-tekst’, dat ik eens in dit verband bij Thomas Mann tegenkwam.

foto van groepsdiscussie

Er werden veel mooie rake dingen gezegd tijdens de zittingen, die vaak sowieso boeiend waren. Onvermijdelijk was het vaak genoeg iets dat je zelf al had bedacht. Zo verzuchtte Alex Zucker (New York) na een aantal presentaties waarin het erg ging over problemen op de vierkante centimeter, dat een woord in een context staat en dat vertalen iets anders is dan van woord naar woord gaan. Vertalen is een rol spelen, een vertaler is ‘performing without stage’ (dit is een verwijzing naar een titel van Robert Wechsler). Het gaat om de muziek, zei hij geloof ik ook. En Francisco, altijd raak, merkte op dat een vertaler een schrijver moet zijn, ja, maar net zo goed andersom: een schrijver is een vertaler.

Sommigen waren gewoon te grappig om te moeilijk te doen, zoals mijn buddy Eddie Song, die uit het Engels in het Chinees vertaalt. Bethul liet ons schateren met de droge constatering dat het oeroude fenomeen vertalen dus het tweede beroep van de wereld moest zijn.

Maar getobd werd er ook veel. Het heette een keer te vaak dat een vertaler ‘modest’ moet zijn, en ‘dienstbaar’, dat het ‘moeilijk’ was en meer van die zielloze dooddoeners.

Hot item nr 1 was of je zinnen mag opbreken. ‘Ja, als het moet.’ Het hoeft nooit, zei Eddie; hij had de paginalange zinnen in Franzens Corrections ook in het Chinees altijd in één zin gehouden. O ja, voetnoten; moet ook mogen. Alles moet mogen. Dan kun je net zo goed Joepie Joepie gaan doen. Punt is wel dat je kennelijk in Iran als vertaler niet meetelt als je niet zwaar annoteert. Mohammed is al blij dat men daar een schrijver naar zijn hart (Boyden) wil uitgeven.

Op een avond kwam Barbara Epler, uitgever en hoofdredacteur van New Directions Publishing in New York, vertellen over haar beleid in een land waar het vertalen maar weinig voorstelt. Ze houdt een titel altijd ‘in stock’, ook als hij niet loopt, en, nog grotere verrassing: ze zet altijd de naam van de vertaler op de cover. De vertaler is immers 100% verantwoordelijk voor de interpretatie achter de kaft.

Nu hoor je het eens van een ander! Natuurlijk was er prompt iemand die zei dat zij niet per se op de kaft hoefde, maar daar gaat het niet om. Het ging over beleid.

Ik had van het Fonds een Engelse vertaling van een van m’n columns meegekregen, over Borges, want ik werkte daar aan Borges, maar Katie vroeg me, als ‘greatest expert’, los daarvan over m’n algemene ervaringen te vertellen. Het leek me goed voor de gelegenheid met enige humor de do’s en don’ts voor de aanwezige beginnende vertalers bij elkaar te zetten: ‘Barbers maximes’ werden ze gedoopt. Een ervan, ‘Don’t apoligize’, werd een soort gimmick.

Barber’s maximes, Banff 2014

Don’t be modest. Be good.
Don’t apologize saying: ‘I did my best.’ Of course you did.
Don’t defend yourself. Somebody else might.
Take responsibility. Be visible.
You are your writer in your tongue and time. Know him well. Love him.

(Wees niet bescheiden. Wees goed. / Maak geen excuses door te zeggen: ‘Ik deed mijn best.’ Natuurlijk deed je dat. / Verdedig jezelf niet. Wellicht doet iemand anders dat. / Neem verantwoordelijkheid. Wees zichtbaar. / Je bent je schrijver in jouw taal en tijd. Ken hem goed. Hou van hem.)

De spreektalen waren Spaans en Engels. Het blijft gedoe om je goed in een andere taal uit te drukken, ik voelde me soms geen steek beter dan Van Gaal. Het was daarom balsem dat Enrique, een polyglotte Mexicaan met elegante snor die in Banff een prijs in ontvangst nam, me af en toe aansprak met de verheven maar vertrouwde woorden ‘O kerstnacht, schoner dan de dagen’ (Vondel). Ik heb op You Tube de melodie gezocht en meteen die van de Twee Coninckskinderen. Maar publiekelijk gezongen hebben we het niet. Vondel + kerstmis in juni in Banff, nou nee.

Ik dank het Nederlands Letterenfonds voor het faciliteren van dit verwarrende en des te vruchtbaarder verblijf,

Barber van de Pol

Vertalen is een rol spelen, een vertaler is ‘performing without stage’

Alle weblogs van Barber van de Pol

Schrijver

Barber van de Pol

Barber van de Pol is vertaalster, schrijfster en essayiste. Ze werd bekend als vertaalster van onder andere Cortázar en Borges (De Aleph en andere verhalen en Alle gedichten i.s.m. Maarten Steenmeijer) en van klassiekers als Melville’s Moby Dick (2008) en Cervantes’ Don Quichot (1997). In 1975 ontving zij de Martinus Nijhoffprijs voor de vertaling van de Zuid-Amerikaanse literatuur, met name voor Cortázars Rayuela. Over haar ervaringen als vertaalster publiceerde en publiceert ze essay’s en columns in de bundel Cervantes & Co. (2000), in De Groene Amsterdammer (2010) en in Filter, tijdschrift over vertalen. Ze schreef kinderboeken, romans, essays en columns. Vorig jaar verscheen Zingen is Geluk (De Bezige Bij).

Bekijk alle weblogs van Barber van de Pol