weblog

Friese literatuur voor buitenstaanders

Denkend aan Frankfurt

29 september 2013

Wie nog nooit een Fries verhaal of gedicht gelezen heeft, die mist wat. Dat is zonder meer waar. Maar wie zich verregaand met de Friese literatuur vereenzelvigt, die mist ook wat. Zo’n ‘binnenstaander’ verwondert zich niet meer.

Voor binnenstaanders is de Friese literatuur immers een feit. Ze zijn er meer of minder trots op, zetten zich er meer of minder voor in, maar ze verwonderen zich er niet meer over. De Friese literatuur bestaat voor hen bovendien ook al snel uit schrijvers, uitgevers, prijzen en polemieken, en lang niet alleen uit romans, verhalen en gedichten.

‘Wie om de een of andere reden iets had te schrijven aan Haitse Karstes Holwerda, de boer van Baerda-Hûs, hield zich doorgaans aan het gewone adres: H.K. Holwerda, Landbouwer, Blessum.’ (U. van Houten, De sûnde fan Haitze Holwerda)

Voor buitenstaanders ligt dat heel anders. Voor hen is de Friese literatuur helemaal geen voldongen feit, ze hebben er nog nooit van gehoord, of er net zoveel van meegekregen dat ze weten dat het bestaat. Ze vinden het vreemd, misschien interessant, misschien ook niet. Bij de geïnteresseerden onder hen is nog ruimte voor verwondering, ruimte om iets te ontdekken dat ze nog niet kenden, of juist iets tegen te komen waar ze tot hun al even grote verrassing juist iets in herkennen. Je zou ze wel willen suggereren om dit of dat boek eens te lezen. Een boek dat opvalt, verrast, aan het denken zet. In de hoop dat die boeken hun wereld ruimer en rijker maken.

‘Zondag, vroeg in de ochtend. De donkere kamer was lang en breed. Hij was al groot, vond hij.’ (J. Krol, Nûmers)

Dat is het wat het voor mij zo aantrekkelijk maakt om in opdracht van de provincie Fryslân en het Letterenfonds in Frankfurt de Friese literatuur onder de aandacht te brengen. De verwondering aanboren en interesse opwekken, suggesties doen en iets op gang brengen. Via Frankfurt ook in Amsterdam en in Leeuwarden. Oftewel via Europa ook in Nederland en Friesland. In Friesland kwam eind juni al van alles op gang. Niet iedereen was gelukkig met de selectie van de tien titels die in de brochure zijn opgenomen. Nu was het ook niet mijn taak om het iedereen in Friesland zoveel mogelijk naar de zin te maken, al zie ik altijd graag blije gezichten. Ik moest vooral een selectie maken waarmee ik in Frankfurt de belangstelling van buitenlandse uitgevers gaande krijg voor een literatuur waar ze nauwelijks iets van weten. Goeie boeken, boeken die iets bijzonders hebben, onderling genoeg verschillend, proza en poëzie, recent en minder recent, en… niet onbelangrijk: boeken waarbij ik mij een vertaling in de één of andere Europese taal en een internationaal lezerspubliek kon voorstellen.

‘Het is al heel wat jaren geleden, er werd toen in één van die kale bovenzalen – het zijn eigenlijk geen zalen, als je daarbij aan pracht en praal denkt – van een grote dorpsherberg in het Noord een kleine boerenhuizing geveild waar eigenlijk niemand belangstelling voor had.’ (R. Brolsma, Grûn en minsken)

En dan neem je twee oude boerenromans op? De keuze voor twee boerenromans wekte bij nogal wat Friezen verontwaardiging. Maar in de reacties ging het nooit over het thema in die boeken, of over de structuur en de stijl. Het was vooral de associatie van Friese literatuur met boerenromans die niet goed viel. Oud zeer: in de jaren zestig stonden boerenromans voor een provinciale plattelandscultuur en daar moest mee worden afgerekend wilde de Friese literatuur meekunnen in de vaart der volkeren. Nu er een moderne Friese literatuur is, zou je verwachten dat de literaire kwaliteit van sommige boerenromans op des te meer belangstelling en enthousiasme kan rekenen. Maar kennelijk ligt het nog altijd gevoelig. Gelukkig worden buitenstaanders, en zeker buitenlandse uitgevers, niet gehinderd door intern-Friese gevoeligheden. Die zijn geïnteresseerd in goede boeken. Die wil ik dus boeken aanbevelen die goed geschreven zijn, universeel menselijke thema’s aansnijden, boeken die liefst een beetje opvallen en verrassen. Ik heb namelijk zo’n idee dat uitgevers die een brochure met titels uit een onbekende literatuur onder ogen krijgen niet zitten te wachten op boeken die ze uit andere literaturen ook al kennen, en dat serieuze uitgevers zullen aanvoelen dat oudere, uitstekende en bijzondere boeken nu – in deze tijd – een soort frisheid hebben die ze aantrekkelijk maakt. Ik zat er misschien niet zo ver naast: toen het Letterenfonds half augustus afspraken in Frankfurt begon te maken met uitgevers en niet alleen een pdf van de Nederlandse maar ook van de Friese brochure toestuurden, vroeg het vooraanstaand uitgevershuis Manesse Verlag per kerende post om exemplaren van Grûn en minsken van Brolsma en De sûnde fan Haitze Holwerda van Van Houten, beide boeken van vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Onze eerste zorg is nu dus goede vertalingen van een paar hoofdstukken.

‘Wat je daar niet kan vinden’, zei Sierd. (J. Spoelstra, In Jikse-libben)

Over vertalingen straks meer, maar eerst dit.

‘Het is zondagmiddag en in de hoek van het grote raam van de woonkamer vecht een mug tegen een onzichtbare muur.’ (H. Boersma, De gewoanste man)

Niet alleen in Friesland, ook in Amsterdam is heel veel op gang gekomen. Over zo’n nieuw project – naar Frankfurt! – moet natuurlijk veel overlegd worden. Dat geeft veel extra werk. En daar kwam het maken van de brochure bij. Zo’n brochure is geen sinecure, en daarbij is de ervaring, steun en inzet van allerlei mensen van het Letterenfonds onmisbaar gebleken. Na de productie van de brochure volgt het regelen van vertalingen, het corresponderen met uitgevers… Ook dat vraagt veel tijd en aandacht. De inzet van iedereen is geweldig. Veel mensen in Amsterdam hebben mij enorm geholpen met hun expertise en netwerk. Andersom heeft door de samenwerking de Friese literatuur ongetwijfeld meer kleur gekregen voor de medewerkers van het Letterenfonds. De uitwisseling heeft een belangstelling en betrokkenheid op gang gebracht die naar ik hoop ook op langere termijn goede uitkomsten zal geven.

‘ben juist ik die reiger?/ ik knip vleugels tot fatsoenlijke proporties, spijker vlerken/aan een hemellichaam en laat m’n ogen gaan.’ (E. Kuiper, Ut namme fan mysels)

De brochure, die op vrijdag 27 september aan de gedeputeerde is overhandigd, is nog maar het begin. In allerlei opzichten: het is het begin van een nieuw soort samenwerking tussen het Letterenfonds, de provincie Fryslân en de platforms voor de Friese literatuur, en voor mij straks in Frankfurt het begin van een gesprek met buitenlandse uitgevers. Als ik ze kan interesseren voor één of meer boeken uit de brochure, zullen ze zich zelf kunnen oriënteren via de websites van Tresoar en Sirkwy, en van het DBNL die steeds meer Fries opneemt, en begin september een mooie Nederlandse versie van Leafdedea van Homme Eernstma heeft gepubliceerd. Dat is een gelukkig toeval: Leafdedea is één van de tien titels in de brochure.

In de verte denderde een lege hooiwagen, in draf getrokken door een diepzwart Fries paard, over de weg langs de vaart. (H. Eernstma, Leafdedea)

Bij de selectie was het belangrijk – dat zei ik al – dat ik mij een vertaling in de één of andere Europese taal en een internationaal lezerspubliek kon voorstellen. Of een Fries boek eerder in het Nederlands was vertaald of niet, en of die vertaling succesvol was of niet, was daarbij nauwelijks van belang. Een vertaling in het Nederlands, en voor een Nederlands publiek is wat anders dan een vertaling in het Engels of Duits, en het lezerspubliek uit de twintigste eeuw, of zelfs van tien jaar geleden, is anders dan dat van 2013. Zo had ik, als lezer anno 2013, bij Grûn en minsken (1940) associaties met de films van de Coen-brothers, en stelde ik me voor dat Arnon Grunberg en Dimitri Verhulst er veel plezier aan zou beleven. Maar die moeten niet eerder gaan lezen dan wanneer er een goede vertaler mee aan de slag is gegaan want de Nederlandse vertaling van het boek uit de jaren veertig is rampzalig: door heel correcte zinnen te gebruiken, met woorden als ‘terstond’ of ‘geenszins’ is alle woestheid en grilligheid eruitgezeefd. Een vertaler moet echt met een tekst aan de slag. Homme Eernstma, of liever Sixma van Heemstra, snapte dat, en heeft flink geworsteld met zijn Nederlandse versie van Leafdedea: In een brief klaagde hij dat hem het vertalen van de kleine Friese roman uiterst moeilijk viel: ‘Wat in het Fries poëzie is, wordt in het Nederlands een verhandeling of uiteenzetting.’ Door zo eenvoudig mogelijke taal te gebruiken en alle boekenwoorden te vermijden komt hij uiteindelijk tot een bewerking in eenvoudig maar zeer elegant Nederlands. Die tekst is nu via de DBNL uitgegeven.

‘Kijk hoe meisje Ivanhoe verlaten in de verte gaat./Op groene laarzen loopt zij als een ridder langs het pad.’ (E. Kampen, Fan glês it brekken)

Denkend aan Frankfurt speelden mij natuurlijk niet zozeer vertalingen in het Nederlands maar vertalingen in het Frans, Duits of Italiaans door het hoofd. Nûmers van Jaap Krol riep bij mij associaties op met Franse schrijvers – lang geleden hadden de boeken van Ionesco, Queneau, en Marguerite Duras bij mij ook zo’n gevoel van bevreemding opgeroepen. Ik kon me bij Nûmers goed een Franse vertaling voorstellen. In Jikse-libben en De gewoanste man lijken me eerder boeken die het in het Duits en Engels goed zouden kunnen doen. En de poëzie? Dat wordt voor vertalers natuurlijk een groot avontuur. Maar … als de poëzie van Tsjêbbe Hettinga vertaald kan worden in het Engels, Duits, Spaans en Frans, dan kan dat met de gedichten van Elske Kampen en Elmar Kuiper ook. Bij een vertaling gaat altijd wat verloren, zegt men. Maar er komt ook wat bij, is mijn overtuiging. De beschrijvingen van tien Friese titels in de Engelse brochure maken daar een begin mee.

Presentatie brochure 10 books from Friesland
27 september te Leeuwarden
Alpita de Jong

‘Het veulen schiet het moederloos land in/blind op de lichte muren van de zeelucht toe./klompen, rood van mededogen, rennen het na, en zie’ (T. Hettinga, Equinox)

Zie ook:

Goeie boeken, boeken die iets bijzonders hebben, onderling genoeg verschillend, proza en poëzie, recent en minder recent, en… niet onbelangrijk: boeken waarbij ik mij een internationaal lezerspubliek kon voorstellen.

Schrijver

Alpita de Jong

Alpita de Jong (1962) vertaler en essayist, deskundige Fries. Ze was als redacteur verbonden aan het Frysk Literêr Tydskrift Hjir. De bloemlezing Fries stamboek. 500 jaar proza uit Friesland (Contact, 2000) werd door haar samengesteld. De Jong publiceerde tevens kort oorspronkelijk Friestalig werk en vertalingen, waaronder de uit het Italiaans vertaalde verhalenbundel Under de minsken. Italiaanske ferhalen (Utjouwerij Frysk en Frij, 2000). Werkt aan een biografie over Joast Halbertsma. Op de Frankfurter Buchmesse 2013 zal ze actief zijn als intendant Fries.

Bekijk alle weblogs van Alpita de Jong