weblog

Reisverhalen #5: Sasja Janssen

Poesía de Medellín

22 augustus 2013

‘Of het tijd kost Anne Vegter te zijn. / De schotels in de lucht te houden, probeer ik.’ (Anne Vegter Eiland berg gletser, 2011).

Deze versregels schieten me te binnen wanneer Maaike Pereboom van het Letterenfonds me eind mei belt, als ik net terugkom van een wandeling door de lichtgroene heuvels van Zuid-Limburg. Anne Vegter heeft het poëziefestival in Medellín (Colombia) moeten afzeggen. Of ik kan?

Het past me wel, Anne Vegter te vervangen. We zitten allebei in het fonds van Querido. Haar poëzie raakt me. Onze taal is verwant aan elkaar. Daarbij, het past me ook te denken en dichten over wie wij zijn. Wie ik niet ben. Wie wij verbergen. Waar ‘ik’ in ‘wij’ zit.

podium festival Medellin

In het begin zweeft Anne met me mee. Op de lange vlucht die ik maak. Naar háár kamer in Gran Hotel (4 sterren) op 11 hoog. Alle dichters logeren in dit hotel, behalve één dichter die 5 sterren prefereert (dat kan dus ook nog als dichter). Ik doe geen oog dicht hier, net als Anne, het is alsof je midden op een snelweg slaapt en de geluiden van Miami Vice hebt besteld. De oudere hotelbediende Ronaldo draagt al mijn zijden jurken en feestelijke rokjes naar een nieuwe kamer met meer rust. Hij speelt lachend luchtvoetbal om voor te doen dat hij Ronaldo is - later zal hij dat vaker doen, ik spreek geen Spaans, dus er blijft niet veel anders over dan dit en het vriendelijk maar stevig knijpen in elkaars handen. Naast mij slaapt de beroemde Juan Manuel Roca (Colombia), die meestal bezoek heeft en op zijn kamer eet. Soms hoor ik de Afrikaanse dichteres Werewere Liking prachtig voor hem zingen.

Er worden extra, Spaanse vertalingen van mijn gedichten gemaakt door Diego Puls, die er al een aantal mooi heeft vertaald voor mijn optreden op een internationaal poëziefestival in Nicaragua in 2012. En of ik een essay over Mythe en Utopia kan schrijven, dat naast vrede (‘por 1000 anos de Paz en Colombia’) het thema van het festival is. Uiteindelijk blijkt daar te weinig tijd voor te zijn. Op www.festivaldepoesiamedellin.org lees ik over het festival dat het neusje van de zalm schijnt te zijn onder de festivals (ik zal u alvast de uitkomst verklappen, dan kunt u zich ontspannen: het is niet alleen het neusje, het is de ganse zalm, zacht en stevig en heerlijk met mierikswortel).

‘With the participation of 60 poets from 45 countries, from the far corners of the Earth, this new version of the festival will be dedicated to the poetic experience for the re-signification of Myth as memory that is foundational knowledge and of Utopia as acting reality that leads to a new humanism, freed from all the mistakes that sunk us into inequality and exclusion. (…) Myth as the supplier of a great legacy that must be preserved because it reminds us of the original flame that lights the path to the human experience reconciled with the world and its gifts, included in the processes of cultural growth and social justice.’

De FARC is onder leiding van Tanja Nijmeijer in Cuba om de politieke participatie te bespreken als onderdeel van de vredesonderhandelingen. Na zestig jaar barre strijd. Als ik aan het woord ‘utopia’ denk, denk ik aan een onmogelijke, onbereikbare mooie wereld, maar het festival denkt aan gelijkheid en rechtvaardigheid in een humanistische wereld. Drieëntwintig jaar geleden heeft dichter Fernando Rendón het festival opgezet als verzet tegen de karteloorlog, die de mensen schichtig binnenhield. In 2006 ontving het festival The Right Livelihood Award, de ‘alternatieve Nobelprijs’.

In het KLM-vliegtuig word ik zo warm verwelkomd door de purser dat het lijkt alsof hij me kent. Nee, Anne kent hij niet. Ik krijg een vipbehandeling. Smarties, wijn, chips, Bailey’s met ijs, een relatiegeschenkje (een schaaltje ontworpen door Marcel Manders), en wat is eigenlijk het thema van mijn werk? Oei. Het is laat, we zijn hoog. ‘Identiteit’ zeg ik dat men zegt. Opgewonden brengt hij me even later geen snoep of drank maar een gedicht van zijn oma Anne Manche, ‘ook over identiteit’, zegt hij. Wij / is wat jij van mij / en ik van jou / niet meer vergeet / wat jij in mij / en ik in jou / voorgoed geborgen weet. Anne Manche. Anne. We blijven in de buurt. (Poetry by plane, misschien een idee, Fonds?*)

Ook Luis Rendón (zoon van de oprichter en ook dichter) omhelst me bij aankomst in het hotel alsof ik een verloren gewaande geliefde ben, ik ben zo verloren dat ik het vergeten ben, maar ik kom er al gauw achter dat ze hier warmbloedig zijn, emotioneel, en het went snel, de liefde, die ze te pas en te onpas geven. Gerður Kristný (IJsland) en ik pochen later die week wel eens met onze Noordelijke afkomst: ‘Wij doen niet aan emoties, kom nou, wij zijn koel en beheerst.’ Onze humor verwaait in de warmte.

Wat niet went: het zien van de arme jonge mensen, mager staan ze op de groenstroken tussen de waanzinnige wegen. Ze doen me aan mijn zoon denken. Eén trof me zeer: een gespierde grote jongen met staalblauwe ogen, donker, stug haar en de blik van een overwinnaar. Stoffig en met zwarte vegen over zijn gezicht, armen en benen alsof hij zichzelf speelde. Ook zijn er veel oude vrouwen en mannen, die in cafés snoepjes verkopen of bloemen die niemand wil hebben; anderen poetsen schoenen onder de rubberbomen met immense luchtwortels, een baantje dat misschien nog wat opbrengt.

Poëzie, denk ik, poëzie, wat ben jij? Wat doe jij?

Luis Rendón vertelt dat in de pers het festival vaak is verweten niets aan de armoede te doen. ‘Ik kan niet meer dan ik doe, we doen er zoveel mogelijk aan, maar dit is vooral een poëziefestival, ik breng mensen bij elkaar, verbroedering’, zegt Luis. Ik schaam me soms hier te zijn. Zijden jurk, blond, mooie zinnen. Aan Valeria Orestiado Giraldo (de actrice die mijn gedichten in het Spaans vertolkt) vraag ik wie die jongens zijn, die uitgestrekt als een dronkenlap of in elkaar gekruld als een embryo op de stoep liggen. ‘Het zijn verslaafden, ze hadden ook een andere keuze kunnen maken’, is haar antwoord. Ik weet niet of ik in keuzes geloof, denk ik, maar ik zeg het niet. Ze zegt dat ze zich ertegen heeft gewapend, zij moet hier immers leven. Soms zijn het mensen wiens boerderij is overgenomen door gewapende overvallers. Ze hebben dan niets meer en komen naar de stad om te overleven. Het platteland is tamelijk gevaarlijk, vooral aan de grenzen waar veel drugs gesmokkeld wordt.

Luc de Rooy (uitgever van Karaat) verdeelt zijn tijd tussen Amsterdam en Zuid-Amerika en blijkt nu ‘in de buurt’. Hij maakt een reis van tien uur om mij en het festival een paar dagen te bezoeken. We gaan wat toeristische dingen doen: met de kabelbaan de berg op, Medellín ligt in een vallei. Een lange baan boven de bomen, het wordt kouder. We drinken in een barretje, waar naast Maria en het bier een grote poster hangt van een wulpse, blonde vrouw. Bijzonder om een goede vriend hier te zien (mijn Ronaldo houdt in het hotel nauwlettend in de gaten of hij wel weer met zijn rolkoffertje vertrekt). Hij vertelt me dat de jongens die op straat slapen vaak vluchtelingen zijn uit omringende landen. Het verhaal van Valeria wijst hij grotendeels van de hand. Hij voelt zich hier op zijn gemak, zegt hij als ik ernaar vraag.

Medellín is nog steeds niet veilig, maar de tijd dat er 4.000 mensen per jaar werden vermoord, is voorbij. Nog steeds kun ’s avonds niet alleen de straat op gaan, en Valeria escorteert me altijd naar het hotel. Op een avond wijst ze me op dit tableau, op een muur bij de ingang van een bank. De borsten waren eerst van koper, maar nachtelijke mannen hebben ze zo vaak gestreeld dat het koper is gaan oplichten. De koperen borsten zijn vervangen door stenen, maar het helpt weinig, ook die verkleuren door de hunkeringen.

Beeld

Anne ebt wat naar de achtergrond. Maar als je door de kieren van je ogen kijkt, lijk ik best een beetje op Anne. (Toch, Anne?) Ik sta niet in het glanzende programmaboek met alle auteurs, daar was het te laat voor, al complimenteert de Syrische dichteres Maram al-Marsi (met wie ik ’s nachts in het busje al vriendschap heb gesloten) me met de mooie foto in het boek. Ik lach en schud mijn hoofd, maar zij vertrekt geen spier. Bij optredens draagt ze vaak een Syrische vlag (in sjaalvorm) en verschijnt in de meest sprookjesachtige jurken. Haar broer krijgt huisarrest op het moment dat zij in Colombia is. Ze is bang. ‘Je doet toch geen vlag om’, hoor ik op een keer een dichter tegen een andere dichter zeggen, ‘we zijn hier voor de poëzie.’

Helletochten brengen ons naar de verschillende locaties waar we voordragen: musea, kleine, culturele buurthuizen, parken, buitenwijken arm en rijk, universiteiten, sommigen zelfs vliegen binnenlands naar een andere stad. Dichters worden gefilmd (in de martelkelder van de in 2003 gedode Escobar zit nu een lokaal televisiestation) en geïnterviewd. In het bergdorpje Yarumal interviewt iemand mij over het maken van poëzie voor een radiozender. Het is een handicap geen Spaans te spreken, behalve dan een paar toeristische woorden. Richard Gwyn (Wales) en ik turven de woorden corazón, sangre en el amor in wat wij sentimentele taal vinden in veel poëzie van Midden- en Zuid-Europeaanse dichters. Richard spreekt echter vloeiend Spaans, en laat mij samen met zijn vertaler Jorge Fondebrider (ook dichter en organisator) weten of een Spaanstalig gedicht goed is of niet.

De mensen houden van poëzie. Op een bijna fysieke manier. Na mijn voordracht op de Universidad EAFIT (voor alleen de echt rijken) komt Mateo Botero, een jonge academicus met een botanisch bedrijfje naar me toe. ‘‘Fabúlame’ maakte,’ zegt hij schuchter, ‘dat er twee stuwmeren tegen elkaar botsten, ik het ene stuwmeer, jij het andere.’ Het ontroert me.

Ik trek op met Moya Cannon (Ierland) en Lorna Shaughnessy (Noord-Ierland) met hun mooie, zachte stemmen, we spreken over de toegankelijkheid van poëzie, die van hen is toegankelijker dan die van mij. Natuurlijk wil ik dat de lezer mij begrijpt, maar de taal die ik gebruik hoort bij een bepaald gedicht. Ik vind het misschien wel geen issue, ik ben er niet uit. Ook ga ik om met Nguyen Phan Que Mai, de maatschappelijk bewogen Vietnamese (haar jaloersmakende energie) die voor het eerst (samen met haar actrice) haar gedichten in een traditionele Vietnamese stijl zingt. Daar kunnen wij nooit meer tegenop, lachen Gerður Kristný en ik. Gerður, die voor elk genre een prijs heeft gewonnen en zowat elk festival heeft bezocht. Voor haar actrice heeft Nguyen ook een traditionele jurk meegenomen. Het publiek is wild. Waar is de Nederlandse jurk? IJsland heeft een pompeuze, gouden jurk, als van een pop, die Gerður niet wil dragen, ik heb niet eens mijn klompen. Ik houd ook van Gerðurs voordracht, helder van stem en krachtig. Ze is de eerste vrouw in IJsland die over vrouwenongelijkheid en onrecht heeft gepubliceerd.

Aan Jan Erik Vold (Noorwegen) vertel ik opgetogen dat ik de schrijver Knut Hamsum bewonder, maar het gesprek wordt meteen fel: hij verafschuwt hem vanwege zijn optreden in de Tweede Wereldoorlog. Daarna spreken we alleen nog maar over het koude zwembad op het dak, het water, hoe laat het open is, of het wordt schoongemaakt. Een running gag, het zijn bijna vertrouwelijke, intieme gesprekjes. Een week voor ik naar Colombia reisde, zag ik Monika Rinck (Duitsland) in Perdu optreden met de prachtige cyclus ‘Honinghoon’, maar ze was al weg toen ik via haar vertaalster Miek Zwanborn ontdekte dat ze ook naar Medellín zou gaan. We spreken over kelders en zolders. Hobbyruimtes van mannen en vaders. De Nederlanders de zolders, hoog en licht; zij de kelders, laag en donker. Wat zou dat zeggen over volksaard? Ze maakt ineens een vlugge aantekening in een Moleskineboekje, dat bijna elke dichter hier bij zich heeft. Ik weet dat ze het gaat gebruiken. Zo dichten we, ik net als zij, denk ik. Ik ben benieuwd met welke dichters Anne zou zijn opgetrokken.

We spreken nauwelijks over het maken van gedichten, soms over poëzie van anderen, maar vooral over onze optredens. We feliciteren elkaar als het optreden goed is. Alleen met Valeria, mijn actrice, spreek ik over schrijven. We drinken in kleine cafeetjes met tangomuziek, zo donker dat je elkaar nauwelijks ziet, in de wijk, die met helroze lijnen op de stoep is afgezet (ik dacht aan parkeervergunningen), wat betekent dat daar een bepaalde mate van vrijheid heerst, dat iedereen er welkom is, van welke kleur of seksuele geaardheid dan ook, én dat het roken van een joint gedoogd wordt.

Gezelschap Van links naar recht: Maram al-Masri uit Syrië, Monika Rinck uit Duitsland, Pamela Ospina (organisatie, rock-ster, actrice), Valeria Orestiado Giraldo, Gerður Kristný, en ik.

De eerste keer dat Valeria en ik mijn poëzie in de lobby van het hotel oefenen (als we optreden lees ik altijd eerst de gedichten voor in het Nederlands, zij erna in het Spaans) huilt ze als ze ‘Fabel mij’ heeft voorgelezen, omdat ik ervan onder de indruk ben. ‘Fabúlame’ is ook geliefd bij het publiek. Mensen reageren altijd na afloop erop, omhelzen me, willen met me op de foto. Jorge Fondebrider, met wie ik me op een prettige manier in een Woody Allen-film waan, plaatst ‘Fabel mij’ op de mooie, professionele site Otra iglesia es imposible van Jorge Aulicino, waar binnenkort meer op verschijnt.

Hier een fragment, voor het hele gedicht zie de website:

fabúlame
Recuerdo la vida que no acaba
Recuerdo las vueltas por la extensa nieve azul celeste
Recuerdo los cerditos muertos a la vera del camino
durmiendo dulcemente, aún hablaban
Recuerdo mi primer amor que me dejó
Recuerdo a mi madre, a veces le toca felicidad
Recuerdo mi caída de la bici como una figurita
sobre un viaducto en la helada
Recuerdo a mi marido con omóplatos como alas
Recuerdo una procesión en el pueblo primaveral con cintas
en los árboles, los vestiditos blancos falsos el sol cortante
recuérdame
Recuerdo a mi hijo nonato
Recuerdo la ciudad, sus suburbios, el edificio de la saltadora invitada
donde yo estudiaba
Recuerdo mi violación en un apartamento calefaccionado en Roma
Recuerdo al estudiante de arquitectura, sobrevivió sin mí
pero me quedé con él
Recuerdo a mis amores, que me envolvían como un planetoide
(…)

fabel mij
Ik herinner me het leven dat niet afkomt
Ik herinner me de tochten door de lichtblauwe wijde sneeuw
Ik herinner me de dode varkentjes langs de kant van de weg
zoet slapend, ze spraken nog
Ik herinner me mijn eerste liefde die mij verliet
Ik herinner me mijn moeder, ze kent soms geluk
Ik herinner me het vallen van mijn fiets als een figuurtje
op een viaduct in de vorst
Ik herinner me mijn man met schouderbladen als vleugels
Ik herinner me een processie in het lentedorp met linten
aan de bomen, de jurkjes vals wit in de scherpe zon
herinner mij
Ik herinner me mijn ongeboren kind
Ik herinner me de stad, haar buitenwijken, het gastspringstergebouw
waarin ik studeerde
Ik herinner me mijn verkrachting in een verwarmingshete flat in Rome
Ik herinner me de student architectuur, hij overleefde zonder mij
maar ik bleef bij hem
Ik herinner me mijn liefdes, die me omvatten als een kleine planeet
(…)

Het laatste optreden is in Cerro Nutibare, in het Teatro Carlos Vieco, een amfitheater waar duizend mensen verschijnen. Elke dichter leest voor en na zes uur poesía sluit het festival af met een performance door de begaafde Russische danser Valentin Tszin en zijn pupillen, moderne dans en mime.

Ik ben allang geen Anne meer.

‘Het kost niet per se tijd maar het hoofd / (denken aan de liggende jaren, een tegen- / stelling noemen van verlangen) puilt uit.’ (Anne Vegter Eiland berg gletser)

Mijn hoofd puilt prettig uit, van de geweldige indrukken.

Dag Medellín. Dag stad van de lente.

Sasja Janssen
augustus 2013

* Naschriftje bij ‘Poetry by plane’: het Letterenfonds is via de Schiphol Airport Library actief op het vliegveld, maar nog niet in de vliegtuigen. De schermen zouden zich er wel goed voor kunnen lenen.

publiek bij Medellin festival

Vier andere recente reisverhalen:

Filmpje van de laatste reading van Sasja Janssen in Medellín:

Schrijver

Sasja Janssen

(1968) schreef de goed ontvangen dichtbundels Papaver (2007) en Wie wij schuilen (2010, genomineerd voor de Jo Peters Poëzieprijs). Eerder verschenen van haar hand de romans De kamerling (2001) en Teresa zegt (2005). Haar werk verschijnt bij uitgeverij Querido. Momenteel werkt ze aan haar derde dichtbundel. Ze geeft Nederlands als tweede taal aan inburgeraars en expats, naast cursussen zakelijk schrijven en spelling voor Nederlandstaligen. Begin juli 2013 nam ze deel aan het International Poetry Festival in Medellín (Colombia) waarvoor ze van het Fonds een bijdrage in de reiskosten ontving.

Bekijk alle weblogs van Sasja Janssen