weblog

Bergen Binnen

23 april 2012

‘Ze kwamen niet van buitenaf maar van binnenuit, de spoken.’ Als 83ste bewoner verbleef Roel Bentz van den Berg, presentator en romancier, in het Adriaan Roland Holsthuis in Bergen. Hij schreef een column over zijn ervaringen met de geest van de Oude Bard.

De eerste nachten in het A. Roland Holst Huis (of het ‘Rien Poortvliet Huis’, zoals een bevriende dichter het in zijn mails consequent bleef noemen) deed ik voor ik ging slapen zelfs de deur van de slaapkamer op slot. Niet om de geesten buiten te sluiten die er volgens de verhalen (ook die van de Oude Bard zelf) op de gang diefje-met-verlos spelen, maar omdat ik een Jantje Beton ben, een vierhoogwoner, een stadse bleekneus die al snel nerveus wordt van al die stilte (geen sirenes, klokkenspelen, lallende toeristen, rappende krantenjongens, boemende boemboxen of schreeuwende buren) en zeker ook van al dat echte diepe donker buiten - waarin de nacht niet alleen zo’n duizend ogen heeft die me stuk voor stuk door de spleten in de gordijnen aan het beloeren zijn, maar ook haken en messen en glasscherven om mij ernstig lichamelijk letsel mee toe te dienen. Maar ik had me de moeite kunnen besparen, want eenmaal onder de wol bleken ze niet van buitenaf maar van binnenuit te komen, de spoken.

Dankbaar gebruik makend van het daar in huis kennelijk geldende recht van overpad tussen deze en gene zijde - en van de gelegenheid mij een keertje heel erg alleen te treffen - hadden ze zich al snel aan hoofd- en voeteneinde van het bed genesteld en begonnen daar direct luidkeels door elkaar te roepen en zich te beklagen over het feit dat ik hen zo lang had verwaarloosd, de een nog erger dan de ander. Het was net de scène uit Melville’s Le Cercle Rouge, waarin Yves Montand ‘s nachts tijdens een delirium wordt bezocht door een horde spinnen, hagedissen, slangen en ander koudbloedig ongedierte dat langs de poten van zijn bed omhoog komt kruipen. Alleen wilden ze in mijn geval niet zozeer bijten of krabben of steken maar alleen Heel Erg Zeuren - als kiespijn, op de hoge, flemerig-insinuerende toon waarmee een drankfles of een crackpijp tegen een verslaafde spreekt die probeert af te kicken.

Ronald Holsthuis Bergen

Ik weet het. Hoort er allemaal bij wanneer het opeens alleen nog maar tussen jou en het boek gaat dat je zo nodig moet schrijven - en dat boek opeens heel nuffig gaat doen alsof ze absoluut niet gediend is van je avances. ‘Ga je eerst maar eens scheren.’ ‘Ik wil echt veroverd worden.’ ‘Wat denk je wel? Zo’n boek ben ik niet.’ ‘Ik heb hoofdpijn.’

‘Jezelf tegenkomen’ heet dit proces in vakjargon - wat een rare uitdrukking is wanneer dat ‘zelf’ wel het laatste is dat je herkent als je langs een spiegel loopt. Een vage kennis misschien, iemand uit een ver verleden (‘wel erg oud geworden, vind je niet?’), maar - ik zeg maar wat - geen schrijver in ieder geval. Ha! Nee, sorry. Niet thuis. Misschien hiernaast.

Maar het begon te wennen. We begonnen, onder invloed van de steeds meer weldadig aandoende rust en regelmaat, toch weer naar elkaar toe te groeien, ik en die rare dubbelganger van me met wie ik op de dienstfiets uit de schuur naar zee fietste (drie versnellingen, fietstassen, werkende bel, voor en achterlicht!) of naar de Albert Heijn in het dorp (nog nooit zoveel magnetronmaaltijden gegeten als bij Jani thuis), ‘s avonds samen met een biertje op de bank naar dubbele afleveringen van That 70’s Show en Seinfeld zat te kijken, of ‘s ochtends vroeg - het hoogtepunt van onze ‘bonding’ - naar de twee schitterende paardjes liep, die even verderop, echt een steenworp van het huis, in de prairie van de prachtige Weidepolder bij een hek altijd intens lief en melancholiek stonden te wezen. Soms gingen we… nee, ik kan wel zeggen: ging ik - als het ‘s ochtends niet was gelukt om ze te aaien - ook tegen zonsondergang nog even terug, op het moment dat de vijf knotwilgen halverwege de duinenrij verderop er uitzagen als een stel heksen met brandende haren.

Veel lieve honden, trouwens ook, op dat uur, uitgelaten door baasjes en bazinnetjes die elkaar allemaal begroetten op een toon alsof ze elkaar elke keer maar weer feliciteerden met het feit dat ze hier woonden, en ook het volste recht hadden om daar te wonen, op deze uitgelezen plek, met al die duurzame natuur en prachtige kleine oude en hele grote nieuwe huizen, ver van de grote boze buitenwereld zoals je die ‘s avonds en ‘s nachts, vlak achter het zwevende groene tapijt van het voetbalveld, als een vergeefse poging tot verleiding aan de horizon kan zien opgloeien.

Kortom: ik heb een hele goede tijd gehad in het ARHH, en, what’s more, aan die fijne grote werktafel in de kamer, na een moeizaam begin (zie boven) - zouden er echt collega’s zijn die hier binnenkomen, hun rugzakje uitpakken, hun laptop openklappen en direct meters briljant proza of dito poëzie beginnen weg te tikken, om zich een maand later met een dik pak papier en een fles champagne onder de arm bij hun intens dankbare uitgever te melden? - ook heel erg lekker gewerkt.

Sinds 2002 is het voor schrijvers, dichters en literair vertalers mogelijk het A. Roland Holsthuis in Bergen (NH) gedurende een kalendermaand te huren als werkplek. Meer informatie vindt u op de website van het huis.

Alle weblogs van Roel Bentz van den Berg

Schrijver

Roel Bentz van den Berg

Bekijk alle weblogs van Roel Bentz van den Berg