weblog

Reisverhalen #3: Nico Keuning

Terug naar Elten

7 augustus 2013

Mijn vader verhuisde in 1946 op 26-jarige leeftijd van de Wogmeer in Noord-Holland naar ’s-Heerenberg in Gelderland, waar hij na een korte opleiding bij de douane in dienst trad als ‘tijdelijk hulpkommies der invoerrechten en accijnzen’. In 1949 vestigde hij zich als ‘grenskommies’ met zijn vrouw in Elten. In april van dat jaar was, vier jaar na de Tweede Wereldoorlog, de Duitse inham tussen ’s-Heerenberg en Lobith als schadeloosstelling in natura aan het Nederlands grondgebied toegevoegd. Er werd een rechte lijn getrokken bij wijze van grenscorrectie. De Nederlandse periode van Elten heeft geduurd tot 1 augustus 1963.

Het literaire non-fictieboek dat ik schrijf, beslaat de periode 1946 -1963. De hoofdpersoon Jaap Bommer is geïnspireerd op deze ‘Duitse periode’ in het leven van mijn vader (1920-2013) en is mede gebaseerd op nagelaten documenten en de tientallen pagina’s die hij in zijn ‘Levensbeschrijving’ aan deze jaren heeft gewijd.

Het literaire van het boek ontstijgt het werkelijke leven, maar het verhaal (non-fictie) is gebouwd op feiten. Daarbij zijn de nagelaten documenten en herinneringen van mijn vader een grote steun. Evenals kranten, foto’s, scripties en boeken. Maar ook mijn reis, terug naar Elten, heeft mij in staat gesteld met andere ogen het verleden te zien: met de ogen van mijn vader en met die van mij.

Villa Erika

Kort nadat ik mijn kamer in Villa Erika in het Duitse Elten had betrokken, vertelde de gastvrouw mij dat in de Nederlandse periode in het pand uit ‘1896’, zoals op een gevelsteen in de voorgevel staat vermeld, het hoofdkantoor van de marechaussee was gevestigd. Wat een toevalstreffer. Mijn hoofdpersoon Jaap Bommer, woonde destijds weliswaar op de hoek Wilhelmstrasse / Klosterstrasse, maar ongetwijfeld was hij als ‘grenskommies’ hier ook binnen geweest!

Een ander onverwachte verrassing was dat het echtpaar van de villa mij een oude fiets ter beschikking stelde. Dankzij deze geste was het niet alleen mogelijk in het decor van mijn te schrijven verhaal rond te rijden, al fietsend werd ik zelf de hoofdpersoon: de jonge douanebeambte die in de naoorlogse jaren zo alle afstanden aflegde tussen plaatsen als Babberich, Emmerich, Zevenaar, Doetinchem, Lobith, Tolkamer, Spijk, ’s-Heerenberg. Ik voelde de klim op de Eltenberg in mijn benen, keek met de ogen van Jaap Bommer naar de hoge schoorstenen in Emmerich aan de Rijn, rook de geur van hooi, zag een roofvogel boven de uiterwaarden zweven, passeerde oude grensovergangen, reed over oude smokkelpaden, langs bosranden, koren- en maïsvelden, waar de jonge ‘hulpkommies’ velddienst deed en smokkelaars op heterdaad betrapte: ‘Halt, Douane!’

In de rechterbovenwoning van het hoekpand, grenzend aan de Klosterstrasse, ben ik in 1952 geboren. Het pand bestaat van oudsher uit vier (douanewoningen), waarvan de woning links op de begane grond dienst deed als kantoor. Vandaar dat Eltenaren spraken van ‘Die Zentrale’ of ‘Das Kommissariat’. De huidige bewoners lieten mij de hal zien, de trap, de bovenwoning. Het pand speelt een belangrijke rol in het boek, evenals de toenmalige buurvrouw, die ik in het boek laat optreden als de onweerstaanbaar mooie weduwe van een Duitse douane onder de naam Helga Richter, met wie Jaap Bommer (niet mijn vader) een kortstondige, geheime buitenechtelijke relatie zal krijgen. Een affaire die leidt tot chantage, die duurt tot de laatste lucratieve ‘smokkelnacht’.

Om de Nederlandse periode van Elten beter in beeld te brengen, sprak ik met inwoners, middenstanders, café- en hoteleigenaren. Toen ik op afspraak op een ochtend het huis van de locale fotograaf aan de Lobitherstrasse betrad, bleek hij zijn woonkamer te hebben omgetoverd tot een soort bioscoop. Nadat hij koffie had ingeschonken, knipte hij met de afstandsbediening het enorme flatscreen aan dat tegen de muur hing. De voorstelling kon beginnen. Vanaf zijn laptop projecteerde hij de ene foto na de andere op het scherm. Een indrukwekkende reeks historische beelden van Elten en omgeving met voormalige grensposten trok voorbij.

1963. Het einde nabij voor de brigade Elten

De volgende dag fietste ik naar Emmerich, langs de Eltenberg, onder het treinviaduct door, over de onzichtbare grensovergang bij de platstenen brug waar het riviertje de Wild onderdoor stroomt. Hier stond hij dus. Hier, waar in 1951 de foto is gemaakt, waarop hij, in uniform en hoge pet op het hoofd, met een hand leunt op een slagboom. Zijn schouder raakt de bovenarm van een jonge vrouw die aan de andere kant van de slagboom staat. Ze heeft een bloem in het donkere haar. Een zwierige sjaal valt over haar witte bloes. Ze draagt een lange rok, open witte schoenen met dunne enkelbandjes. Een foto als boekomslag. Ik vond hem in mijn eerste fotoalbum: ‘Papa aan de grens’.

In het archief van het Rheinmuseum in Emmerich bladerde ik door stapels krantenknipsels, maakte foto’s van kaartjes waarop de grenzen en de inham duidelijk stonden afgebeeld. Ook kocht ik er ‘het laatste exemplaar’ van het loodzware (in de rugzak) gebonden boek Elten die letzten 100 Jahre 1897 – 1997.

Kaart: Staatkundige indeling in de 16e eeuw

Dagenlang woonde ik in Elten. Elke dag, soms meerdere malen, fietste ik langs het hoekhuis aan de Klosterstrasse. Ik miste mijn ouders; ik was graag even bij ze op bezoek gegaan om te weten hoe het met ze ging, te zien hoe ze er uitzagen. Ik had ze van alles willen vragen. Maar ik moest het doen met een handvol herinneringen van mijn vader en die van anderen.

Inmiddels kende ik de plaats als mijn broekzak. Voortdurend fietste ik op de grens van heden en verleden en ja, het gebeurde: door alle herinneringen, verhalen en foto’s kwam het oude decor tot leven.

’s Avonds vertelde de gastvrouw van Villa Erika dat er een documentaire over Elten moest bestaan die ooit zou zijn uitgezonden door Omroep Gelderland. Zij had contact opgenomen met het Liemers Museum in Zevenaar.

Ik sprak nog wat Eltenaren, fietste naar het voetbalveld van FC Fortuna (1910) waar destijds het Nederlandse douane-elftal tegen dat van de Duitsers speelde. ‘Heimkabine,’ las ik op een van de deuren naar de kleedkamers. Van het voetbalveld reed ik over de Zevenaarseweg, naar de Lobitherstrasse, langs de parkeerplaats aan het spoor tegenover hotel Vink. Op de blauwe sintels van het parkeerterrein stond tot 1965 het fraaie treinstation.

Het spoor over, langs een puntgaaf grenskantoor dat tegenwoordig als bungalow wordt bewoond, richting Lobith. In Tolkamer maakte ik foto’s van het douanekantoor (nu restaurant), waar de hoofdpersoon van het boek zich in 1946 meldt bij de ‘Inspectie’:

‘Jaap Bommer.’ Hij gaf de inspecteur een hand.
‘Nikkels,’ zei de inspecteur. ‘Ga zitten,’ wees hij met een uitnodigend gebaar naar een stoel tegenover hem aan een houten bureau met groen inlegblad.
‘Een vriendelijke man van de oude stijl,’ dacht Jaap. Voordat hij ging zitten wierp hij een blik op de Rijn, waar juist een binnenvaartschip traag stroomopwaarts voer. Hij nam plaats tegenover de inspecteur, haalde een pakje sigaretten uit zijn zak en stak er een op.
‘Mag ik je een raad geven,’ zei Nikkels. ‘Wanneer je voor het eerst bij een baas komt, ga je nooit roken, tenzij het je aangeboden wordt.’

Enkele dagen na thuiskomst, ontving ik een e-mail van een medewerkster van het Liemers Museum in Zevenaar. Een e-mail met verrassende bijlagen…

Nico Keuning
juli 2013

Groeten uit Elten

Meer recente reisverhalen:

Schrijver

Nico Keuning

Nico Keuning is neerlandicus. Hij schreef biografieën van Max de Jong, Jan Arends, Bob den Uyl en monografieën van Johnny van Doorn en Louis-Ferdinand Céline. Keuning publiceert in literaire tijdschriften, dag- en weekbladen. Momenteel werkt hij aan een non-fictieboek over Elten, dat voorjaar 2015 zal verschijnen bij Atlas Contact. Ten behoeve van dit boek verbleef hij in juni 2013 korte tijd in de grensplaats; van het Letterenfonds ontving hij hiervoor een bijdrage in de reis- en verblijfkosten.

Bekijk alle weblogs van Nico Keuning