weblog

Reisverhalen #1: Peter Delpeut

Een museum van de wereld

24 juli 2013

Afgelopen voorjaar reisde ik vier weken door Engeland en Wales op zoek naar de sporen die het werk van landschapsschilder Claude Lorrain daar heeft achtergelaten: in particuliere en museale collecties, in de landschapsparken van aristocratische landhuizen, en in de routes die de eerste Engelse toeristen in eigen land kozen. De hoofdpersoon van mijn nieuwe roman schrijft essays over dit onderwerp; essays die gaandeweg de vertelling een intellectueel zelfportret blijken te zijn. Hij houdt zichzelf voor op zoek te zijn naar het geheim van de landschapsbeleving, om uiteindelijk te beseffen dat die hele zoektocht er toe dient zijn eigen onvermogen met de wereld om te gaan in kaart te brengen.

In de planning van mijn reisschema was archiefonderzoek in het British Museum in de afsluitende dagen terechtgekomen. Ik zou daar tekeningen van Claude Lorrain bekijken. Vooraf besefte ik niet hoe toepasselijk het British Museum als afsluiting van mijn reis was. De tekeningen van Claude lagen daar niet voor niets, ze waren een van de vele hebbedingetjes van de achttiende-eeuwse Engelse verzamelaar. De bewondering voor de zeventiende-eeuwse schilder is nooit groter en algemener geweest dan onder de achttiende-eeuwse Engelsen.

Gedurende mijn reis was ik gaan beseffen dat ik eigenlijk op zoek was naar de obsessies van de achttiende-eeuwse Engelse intelligentsia. Hoe hun ideeën en opvattingen nog steeds onze blik op natuur en landschap vormgeven. Mijn reis kon niet beter eindigen dan in het British Museum, waar de ideeën van de Engelse Verlichting getransformeerd waren tot een instituut, een museum van de wereld, een poging de honger naar seculiere kennis over natuur en kunst te materialiseren in een verzameling objecten en een bibliotheek.

Maar de verbinding was nog specifieker. Zo kreeg mijn half mislukte pelgrimage naar het nauwelijks nog te betreden landgoed van Richard Payne Knight in Wales er ineens betekenis. De glimp die ik had opgevangen van zijn namaakkasteel, het ruige bos en de snel stromende rivier aan de voet van de heuvel, de verstrengeling van pittoreske natuurbeleving en een hang naar het verleden die ik daar meende te ontwaren, kregen in het British Museum een bodem. Payne Knight was een van de oprichters van het British Museum en schonk het zijn omvangrijke verzameling van kleine bronzen beelden, munten, edelstenen, miniaturen en tekeningen van oude meesters. Daaronder honderden tekeningen van mijn geliefde Claude Lorrain.

Tekening van Claude Lorrain

Ik kon ze urenlang bestuderen en in mijn handen nemen, zoals ongetwijfeld ook Payne Knight ze door zijn handen had laten glijden en ze met groeiende verbazing en bewondering had bekeken. Deze natuurtekeningen waren nog niet erg bekend eind achttiende eeuw, in ieder geval veel minder dan de prenten die naar zijn schilderijen waren gemodelleerd. Die schilderijen zijn een beetje stijfjes, zeker vergeleken met de tekeningen die Claude in de vrije natuur maakte, die wild zijn, heftig, impressionistisch, ruig. Payne Knight zal er de bomen rondom zijn nepkasteel in hebben herkend, het spel van het licht door de bladeren, er het ruisen van zijn rivier in hebben gehoord. Ik had daar gewandeld en me erover verwonderd waarom hij nu juist hier zijn park had ontworpen. Maar nu ik de tekeningen van Claude bekeek, met het bescheiden logootje ‘collection Payne Knight’, begreep ik wat Payne Knight in Wales had gezocht: de ruigheid van die tekeningen, natuurbeleving als een woeling van het hart, de onbestemdheid van het zonlicht dat door een bladerdek breekt.

Ik besefte hoe ideeën reizen en zich wortelen – via de snelle krabbels van een tekenaar die zich oefent in de grilligheden van de natuur en die anderhalve eeuw nadat ze zijn gemaakt de ogen van een verzamelaar raken en die niet meer loslaten. Payne Knight zocht niet de natuur in zijn park, maar die tekeningen.

Dit is slechts een van de vele lijntjes die ik over de landkaart van Engeland en Wales heb kunnen spannen. Plaatsen en ideeën met elkaar verbinden was de uitdaging van mijn reis. En de uitdaging van het boek dat ik erover wil schrijven. Als ik mijn aanvraag voor de reisbeurs nalees kan ik niet anders dan bevestigen dat ik overal ben geweest en heb gedaan wat ik heb beloofd. Dat wil zeggen, ik ben op de plaatsen geweest en heb er rondgekeken. En ik heb er lijntjes naar ideeën ontdekt, meer dan ik op voorhand had durven hopen.

Soms leek het op een pelgrimage. Ik hoor mezelf aan vrienden vertellen over het piepkleine schrijftafeltje van Jane Austen, of over de heuvel boven de river Wye waar Wordsworth zijn prachtige ’Lines Written a Few Miles above Tintern Abbey’ schreef. Kleine obsessies van een liefhebber om het gezien te hebben, er geweest te zijn, maar als toerist zou ik die ook hebben opgezocht.

Five years have past; five summers, with the length
Of five long winters! and again I hear
These waters, rolling from their mountain-springs
With a sweet inland murmur. — […]

Belangrijker zijn de onverwachte momenten van historische sensatie die ik niet had voorzien, die me inzichten gaven die in het literatuuronderzoek misschien wel waren voorspeld, maar nu worden geschraagd door eigen waarneming, door begrip.

Het Red Book dat Humphrey Repton voor Holkham maakte, waarin ik zomaar mocht bladeren en toen begreep dat het geheim van zijn succes als tuinarchitect een vorm van marketing was: zijn taal was de taal van de reclame, ‘geluk is een kopje koffie’, of in het geval van Repton ‘een rookpluim die boven de bomen uitkringelt’.

Of het schetsboek van Matthew Brettingham the Younger in V&A, waarin ik zijn voetreis van Rome naar Napels in 1750 herkende, terwijl mij in de literatuur niet zoveel meer was voorspeld dan wat studies van Romeinse architectuur. Die voetreis is in de literatuur een voetnoot, maar als ik zijn tekeningen bekijk was ze belangrijker dan zijn studies van Italiaanse kerken en gebouwen. Ik heb iets van hem gezien dat tot nu toe van geen belang werd geacht.

Er is geen dag voorbijgegaan dat me niet zoiets is overkomen. Ik zag de wonderbaarlijkste haha (een droge gracht die tuin en park onzichtbaar scheidt) toen ik al bijna had besloten dat de lange autorit naar Keddleston me weinig had gebracht, trok stiekem het rolgordijn omhoog in de Landscape Room van Holkham om de zeven Claudes eens goed bij te lichten en zag details die me de dagen ervoor waren ontgaan, wandelde in de stromende regen langs een bosrand om onverwacht de vallei waar de river Stour ontspringt in te kijken en te begrijpen wat met ‘the genius of the place’ wordt bedoeld, en ik hoorde, in mijn verbeelding, ik geef het toe, langs de river Wye de hamerslagen van de smidsen, de roep van de arbeiders die de trekschuiten voorttrokken, het sissen van de ijzerovens, het gekletter van stenen die in kalkovens worden gestort, om te beseffen dat dit meest pittoreske landschap van de Engelse reisliteratuur in de achttiende eeuw eigenlijk een uitgestrekt bedrijventerrein was.

Met dit soort momenten wil ik de intellectuele zoektocht van mijn hoofdpersoon naar de beleving van natuur voeden. Ik kan niet genoeg benadrukken hoe belangrijk de steun van het Nederlands Letterenfonds is om deze momenten te verzamelen.

Peter Delpeut
Amsterdam, 14 juli 2013

Schrijver

Peter Delpeut

Peter Delpeut (1956) is filmmaker en schrijver. Recent verscheen zijn roman Kruisverhoor en de essaybundel Pleidooi voor het treuzelen: over verbeelding en andere genoegens (Augustus). Momenteel werkt hij aan Landschap! (Atlas Contact), een omvangrijk literair non-fictieproject waarin hij de paradoxale relatie onderzoekt die Europeanen sinds de 17e eeuw met het landschap onderhouden. In het kader hiervan ondernam Delpeut een researchreis naar Engeland en Wales; het Letterenfonds verleende hem een bijdrage in de reiskosten.

Bekijk alle weblogs van Peter Delpeut