weblog

Sporen van het leven van Jean Genet in Parijs

17 december 2019

Bij het vertalen van Dagboek van een dief, een grotendeels autobiografisch verslag van Jean Genet (1910-1986) over zijn zwervende, stelende en hoererende leven in de jaren dertig in verschillende Europese steden (onder andere Barcelona, Antwerpen en Marseille) waren er een paar dingen die mijn aandacht trokken en die me voor nader onderzoek naar Parijs brachten.

Het eerste had te maken met het feit dat Genet als baby was afgestaan door zijn alleenstaande moeder en zijn ouders nooit heeft gekend. Ik las dat er in het archief van Parijs een dossier moest bestaan van het ‘afgestane kind’ Genet, onder dossiernummer 192.102, en dat brieven van zijn eigen moeder zou bevatten die hij zelf nooit onder ogen zou hebben gehad. Mijn nieuwsgierigheid en mijn speurzin werden hierdoor geprikkeld en ik besloot te proberen dat dossier in handen te krijgen, hoewel het me gezien het intieme karakter ervan (alles zit erin: tot medische en psychiatrische onderzoeken aan toe) vrij onmogelijk leek.

De tweede ontdekking die ik al vertalende deed was dat er twee versies van het boek circuleren: een ongecensureerde versie die in 1948 in 410 exemplaren illegaal in Zwitserland is gedrukt (en waarvan ik de gelukkige bezitter van één, door Genet gesigneerd, exemplaar ben), en de gangbare Franse versie, die een jaar later verscheen, maar pas nadat hij op aandringen van Gaston Gallimard aanzienlijk was gekuist voor wat betreft homo-erotische passages.

De clandestiene, in Zwitserland gedrukte Franse uitgave van ‘Journal du voleur’ en de eerste Engelse vertaling, gedrukt in Parijs en verboden voor distributie in Engeland en Amerika.

De clandestiene, in Zwitserland gedrukte Franse uitgave van Journal du voleur en de eerste Engelse vertaling, gedrukt in Parijs en verboden voor distributie in Engeland en Amerika.

Van de Franse uitgeverij mocht ik alleen de gecensureerde versie vertalen, maar al vertalende ontdekte ik dat de Engelse vertaling, door Genets vertrouweling, agent en vaste vertaler Bernard Frechtman (die later overigens zelfmoord pleegde, deels vanwege een conflict met Genet) op de ongekuiste versie is gebaseerd, iets dat nauwelijks bekend is, gemaakt in 1954, gedrukt in Parijs en op zijn beurt verboden voor distributie in de VS en Engeland. Dat betekent dus dat de Fransen tot op de dag van vandaag een kuisere versie van het boek lezen dan de Amerikanen en Engelsen. Ik ontdekte dat doordat ik deze vertaling bij het vertalen regelmatig raadpleegde. Aanvankelijk dacht ik dat de vertaler ‘expliciterend’ had vertaald; een tubetje vaseline dat door de Spaanse politie bij Genet in beslag was genomen werd in de Franse editie aangeduid als: ‘waarvan u wel weet waar hij voor dient’. Maar in de Engelse vertaling las ik tot mijn verrassing: ‘dat was bedoeld als glijmiddel voor mijn pik en die van mijn minnaars’. En gaandeweg ontdekte ik steeds meer passages, en hele alinea’s die simpelweg weggelaten waren. Toch zitten er nog steeds vrij expliciete seksuele passsages in, zoals de passage waarin de protagonist zeer gedetailleerd fantaseert over seks met de zwarte man Sek Gorgui, ‘ontzaglijker dan de nacht’.

Schoolschriftje

In hoeverre was er in deze gekuiste versie sprake van een vrije keuze van Genet? Om daar meer zicht op te krijgen wilde ik op zoek naar de oervormen van deze roman, de verschillende stadia van het manuscript. Na de gebruikelijke bureaucratische plichtplegingen (ditmaal gelukkig minder extreem dan ik in een vorige blog schetste) kreeg ik de oudste versie van het handschrift in handen. Een van de leuke kanten van het inzien van manuscripten is dat het altijd weer afwachten is welke verschijning het heeft: geschreven of getypt, losbladig of ingebonden, wat voor papier, hoe leesbaar, met veel of weinig wijzigingen? In dit geval was het verrassend te zien dat dit rauwe boek over de zelfkant van de samenleving, een verslag van een nomadisch leven door half Europa dat nota bene deels in de gevangenis was geschreven (Genet zei zelf dat het zo’n extreme, expliciete tekst was omdat hij toch niet verwachtte dat het ooit gedrukt zou worden) er in handschriftvorm uitzag als keurig schoolschriftje. Proust is vergeleken bij Genet een sloddervos te noemen. (Hun beider stijl is overigens verwant vanwege de stilistisch verfijnde, meanderende zinnen. Genet, die een groot deel van zijn leven in jeugdinstellingen en gevangenissen heeft doorgebracht, kreeg ooit een deeltje van Prousts Recherche als ‘overblijvertje’ in de gevangenisbibliotheek. Maar het bleek een ware revelatie die bepalend zou zijn voor zijn schrijverschap.)

Handschrift van Journal du voleur (Dagboek van een dief) in de Bibliothèque nationale de Paris.

Handschrift van Journal du voleur (Dagboek van een dief) in de Bibliothèque nationale de Paris.

Het handschrift bleek een totaal andere, en anders opgebouwde tekst te zijn dan de versies die ik kende. Toen ik vervolgens de eerste gepubliceerde versie raadpleegde, verschenen in Sartres tijdschrift Les Temps modernes, bleek dat nog weer een andere versie te betreffen waarvan mij slechts enkele passages bekend voorkwamen. Weer een andere versie van het manuscript bevindt zich echter in het IMEC, een manuscriptenwalhalla in een abdij ver van Parijs, bij Reims, dus de puzzel van de handschriften kon ik nu in Parijs nog niet vervolledigen. In de toekomst wil ik zeker nog eens nader onderzoek doen en proberen de erfgenamen te overtuigen dat de tijd inmiddels wellicht rijp is voor een uitgave van de ongekuiste versie.

Afgestaan kind

In Dagboek van een dief schrijft Genet dat hij in 1910 werd geboren in een kraamkliniek in Parijs, in de Rue d’Assas op nummer 22, en dat zijn moeder Gabrielle Genet heette. Met deze karige gegevens heeft hij het zijn hele leven moeten doen. En opmerkelijk genoeg zijn allebei die feitjes onjuist: zijn moeder heette namelijk Camille (Gabrielle) Genet, en de kraamkliniek lag op nummer 89 (tegenwoordig is er een ziekenhuis gevestigd). Genet heeft deze informatie met veel moeite en pas kort voor zijn 32ste verjaardag gekregen. De ouders die een kind hadden afgestaan mochten contact opnemen met hun kind, en niet andersom. Een van de schrijnende feiten is dat Genets moeder jong is overleden, en daardoor geen contact op kón nemen. Uit die radiostilte moest Genet wel concluderen dat ze dus niet geïnteresseerd zou zijn in haar zoon.

Door Genet verscheurde (en weer aan elkaar geplakte) geboorteakte.]

Door Genet verscheurde (en weer aan elkaar geplakte) geboorteakte.]

Het is me in Parijs gelukt het dossier 192.102 in handen te krijgen – nadat ik aanvankelijk werd afgescheept met een houten kistje vol kopietjes – en daarin ging de wereld van het kleurrijke leven van de jonge Genet voor me open, onder de vleugels van de Armenzorg (Assistance publique) mét een aantal opzienbarende feiten omtrent zijn jeugd. Ik wist al dat Genet als baby in de Morvan was ondergebracht, zoals destijds gebruikelijk was, bij een timmermansgezin. Hij had het geluk dat hij niet in een boerengezin terechtkwam, want daar werden de aangenomen kinderen vaak flink aan het werk gezet. Het enige dat de kleine Jean hoefde te doen was een keer per dag een koe naar de wei brengen. Verder kon hij naar hartenlust lezen en dromen, en werd hij behoorlijk vertroeteld door zijn pleegmoeder, die dol op hem was, vooral toen de mannen in het gezin gemobiliseerd werden in de Eerste Wereldoorlog. Nadat ook zijn pleegmoeder overleed en hij op zijn 13de het gezin moest verlaten voor een opleiding, volgde een leven van weglopen, reizen zonder vervoerbewijzen, diefstal, arrestaties en gevangenisstraffen.

Toen de gemeente Parijs hem later in zijn leven de mogelijkheid gaf meer over zijn herkomst te weten te komen, verscheurde Genet de brief voor de ogen van zijn redacteur (hij had geen vast adres en ontving zijn post op de uitgeverij) en zei: ‘C’est trop tard.’ Die fatalistische inslag heeft ervoor gezorgd dat ik dus brieven van zijn bloedeigen moeder in mijn handen heb gehad waar hij het bestaan niet van kende.

Jeugdvrienden geven in interviews aan dat Genet zich altijd had afgevraagd waarom hij toch zou zijn afgestaan. Op zijn 32ste had hij dus na veel aandringen de naam van zijn moeder achterhaald, maar meer kwam hij niet te weten. Toen de gemeente Parijs hem later in zijn leven de mogelijkheid gaf meer over zijn herkomst te weten te komen, verscheurde Genet de brief voor de ogen van zijn redacteur (hij had geen vast adres en ontving zijn post op de uitgeverij) en zei: ‘C’est trop tard.’ Die fatalistische inslag heeft ervoor gezorgd dat ik dus brieven van zijn bloedeigen moeder in mijn handen heb gehad waar hij het bestaan niet van kende. Waarmee ik inzicht kreeg in haar beweegredenen, iets wat voor hem zo veelbetekenend had kunnen zijn.

Het dossier in het stadsarchief van Parijs, en rechts de brief waarin Genets moeder laat weten dat ze haar baby niet kan onderhouden.

Het bleek dat Camille Genet als ongehuwde, werkende Parijse jonge vrouw op haar 22ste zwanger was geraakt. Zelfs de naam van de (zeer waarschijnlijke) vader van Genet is bekend: Frédéric Blanc*. Na de geboorte van haar zoontje richtte ze een handgeschreven smeekbede tot de gemeente: ze kon de min voor haar kind (buiten Parijs) niet betalen, en haar kind niet eens bezoeken, kon ze wellicht wat bijstand krijgen? Ze werd ontboden, kreeg een kleine toelage, maar dat bleek niet toereikend, want maanden later schreef ze opnieuw een brief – even keurig en foutloos als de vorige – waarin ze schreef dat ze met pijn in het hart afstand moest doen van het kind: ‘Ik heb geen andere mogelijkheid dan hem af te staan’ en: ‘het arme kleintje zal zeker gelukkiger zijn en ik hoop dat hij zijn arme moeder later zal vergeven’. Ook de jaren erna is ze naar de kleine Jean blijven informeren, én naar een tweede zoontje dat ze vermoedelijk van dezelfde vader kreeg (zo blijkt eigenlijk al uit de naam: Frédéric): ‘Ik kan ze helaas niet terugnemen maar ik zou zo graag horen hoe het met ze gaat.’

Genet heeft dus ook nooit geweten dat hij een twee jaar jonger broertje heeft gehad, dat er blijkens de brieven zelfs de oorzaak van is dat zijn moeder hem niet terug kon nemen. Van dit jongetje zijn verder geen gegevens bekend, vermoedelijk is hij als baby gestorven. En een ander schrijnend gegeven: toen ze op haar dertigste (Jean was toen acht jaar) in het ziekenhuis belandde, vermoedelijk met de Spaanse griep, die toen heerste, heeft ze nog vanaf haar ziekbed, tien dagen voor haar dood, een brief geschreven om naar haar Jean te informeren. Bepaald geen desinteresse die uit deze brieven spreekt.

Andere documenten in het dossier die een beeld geven van de persoonlijkheid van de jonge Genet zijn brieven en psychologische rapporten, met omschrijvingen die variëren van ‘zeer zachtaardig kind’ tot ‘mentaal instabiel door het lezen van vele avonturenromans’ en telegrammen naar aanleiding van de vele ontsnappingspogingen. Genet liep herhaaldelijk weg uit de instellingen en scholen waar hij als tiener op zat, bij voorkeur naar havensteden. ‘Pupille enfui’ stond er dan op het telegram waarmee verwoede pogingen werden gedaan hem op te sporen.

Maanvisgezicht

In Dagboek van een dief fantaseert Genet op een bijzondere manier over zijn moeder, met een beeld dat eveneens ver afstaat van de jonggestorven gouvernante dat ze in werkelijkheid was, hij schept een beeld van haar dat haast samenvalt met hemzelf: een dief met een maanvisgezicht.

[O]nder een straatlantaarn, in een straat van de stad waar ik schrijf, het vale gezicht van een oud vrouwtje, een gezicht zo rond en zo plat als de maan, heel bleek, ik zou niet kunnen zeggen of het treurig of huichelachtig was. Ze klampte me aan, zei dat ze heel arm was en vroeg om wat geld. Haar zachte maanvisgezicht vertelde me meteen: deze oude vrouw komt net uit de gevangenis. Dat is een dievegge, dacht ik bij mezelf. Terwijl ik van haar wegliep, bracht een soort intense dagdroom, die diep in mijn innerlijk leefde en niet aan de rand van mijn geest, me op de gedachte dat ik misschien zojuist mijn moeder had ontmoet. Ik weet niets van haar, ze heeft me in de wieg verlaten, maar ik hoopte dat het die oude dievegge was die in de nacht liep te bedelen. Als zij het nu eens was? dacht ik bij mezelf toen ik van de oude vrouw wegliep. O, als zij het was, dan zou ik haar met bloemen overladen, met gladiolen en rozen, en met kussen! Ik zou van genegenheid gaan huilen om die maanvisogen, om dat ronde en dwaze gezicht! […] Maar ik zou haar aanbidden, de dievegge die mijn moeder is.

Om wat dichter bij de persoon van Genet zelf te komen bracht ik in Parijs nog een bezoekje aan de plek waar hij in 1986 op zijn 75ste is overleden, Jack’s Hotel, dat, zo ontdekte ik, vlak bij ‘mijn’ Parijse buurtje ligt (ik verblijf regelmatig in een appartementje in het 13de arrondissement, bij het Place d’Italie, omdat dit vrij dicht bij de Bibliothèque nationale ligt, waar ik veel tijd doorbreng).

Genet was al jaren ziek, hij leed aan keelkanker, en de avond van zijn dood was zijn eigen hotel vol. (Ook dit hotel heb ik bezocht, maar het was onlangs failliet gegaan.) Hij ging een paar straten verderop naar Jack’s hotel. Opnieuw ontdekte ik een charmant detail: het hotel grenst aan de achterkant ongeveer aan de Boulevard Vincent Auriol, genoemd naar de president die Genet decennia eerder op aandringen van prominente schrijvers als Cocteau, Sartre en Colette, had gered van een levenslange gevangenisstraf. Destijds bedankte Genet hem in een brief, en dichtte hem een ‘auriole’ (woordspeling van aureool) toe. Het moet toch hebben gevoeld als een soort van ‘rugdekking’, in die laatste nacht van zijn veelbewogen leven.

Jacks hotel in Parijs, in het dertiende arrondissement, vlak bij de Boulevard Vincent Auriol.

Jacks hotel in Parijs, in het dertiende arrondissement, vlak bij de Boulevard Vincent Auriol.

Andere documenten in het dossier die een beeld geven van de persoonlijkheid van de jonge Genet zijn brieven en psychologische rapporten, met omschrijvingen die variëren van ‘zeer zachtaardig kind’ tot ‘mentaal instabiel door het lezen van vele avonturenromans’ en telegrammen naar aanleiding van de vele ontsnappingspogingen.

Schrijver

Kiki Coumans

studeerde Franse en Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam en vertaalt proza en poëzie uit het Frans. Daarnaast is ze redacteur van poëzietijdschrift Awater en schrijft ze regelmatig artikelen over literatuur en vertalen. In 2000 ontving ze het Dr. Elly Jafféstipendium voor veelbelovende vertalers uit het Frans. Op dit moment vertaalt ze een roman van Jean Giono: Heuvel, en bereidt ze een Privé-domeindeel met brieven van Baudelaire voor.

Bekijk alle weblogs van Kiki Coumans