nieuws

In memoriam

Louis Th. Lehmann

7 januari 2013

Dichter Louis Th. Lehmann is op 23 december 2012 op 92-leeftijd overleden. Uitgeverij De Bezige Bij maakte dit, mede namens zijn echtgenote Alida Beekhuis, bekend. Lehmann nam als ‘homo universalis’ met een scherp oog voor ‘bijzaken’ een geheel eigen positie in binnen de Nederlandse literatuur.

Sinds zijn debuut in 1939 scheerde hij langs alle literaire stromingen van de twintigste eeuw en wist hij steeds zijn eigenzinnige poëtische identiteit te behouden. Behalve dichter en schrijver was Lehmann ook jurist, copywriter, vertaler, scheepsarcheoloog, tekenaar, dj, componist en muzikant.

Louis Theodorus Lehmann werd in 1920 in Rotterdam geboren als enige zoon van een zeeman, een koopvaardijkapitein. Hij groeide tamelijk geïsoleerd op. Wel kwam via zijn vader al jong de liefde voor de zeevaart en – met enkele uit Buenos Aires meegebrachte 78-toeren platen – voor de tango. Op de HBS begint de jonge Lehmann met dichten, al wil hij eigenlijk schilder worden. Hij wordt beïnvloed door de poëzie van Slauerhoff en door een inspirerende leraar Frans, ‘die hem zowel de Franse taal als de interesse voor détails in de kunsten heeft bijgebracht’.

Nog maar achttien jaar oud debuteert Lehmann in de almanak In Aanbouw, bezorgd door K. Lekkerkerker. Zijn ‘lichte toon en virtuoos woordgebruik’ maken diepe indruk op critici als Marsman en Menno ter Braak. Simon Vestdijk noemt hem een ‘wonderkind’. In 1940 verschijnt zijn eerste gedichtenbundel Subjectieve reportage en Dag- en nachtlawaai dat twee motto’s meekrijgt. Het eerste is van George Ferré: ‘Il faut vivre la vie comme un coup de sifflet’ en het tweede van W.H. Auden: ‘For poetry makes nothing happen…’. Twee citaten die een programma lijken te vertolken, als we tot dat programma ook de doelbewuste ontregeling en de liefde voor het nonsensicale rekenen. In 2006 ‘bekent’ Lehmann in een interview aan Arjan Peters: ‘George Ferré bestáát niet! Ik dacht: ik maak een Franse quasi-energieke frase die modern klinkt maar niks betekent. Daar zet ik dan een onopvallende naam achter, om het authentieker te laten lijken. (…) die regel van Ferré is nonsens, maar wat Auden zegt is waar en dat geldt zelfs voor de hele literatuur.’

Na zijn debuutbundel publiceert Lehmann in hoog tempo drie dichtbundels. Daarnaast werkt hij tijdens de oorlogsjaren mee aan het surrealistische tijdschrift in één exemplaar De schone zakdoek en componeert hij een kameropera. Al op zevenentwintigjarige leeftijd verschijnt zijn Verzamelde gedichten, waarna nog vier poëziebundels (Het Echolood, Een steen voor Hermes, Who’s who in Whatland en Luxe) en een tweetal romans (De Pauwenhoedster en Tussen Medemblik en Hippolytushoef) volgen. Who’s who in Whatland werd in 1964 bekroond met de Jan Campertprijs. De kwaliteit van zijn werk werd ook door het in 1965 opgerichte Fonds voor de Letteren onderkend en in die eerste jaren ondersteund met werkbeurzen.

Daarna wordt het op literair vlak bijna dertig jaar lang stil. Om niet gehinderd te worden in zijn wetenschappelijke carrière, besluit Lehmann geen literair werk meer te laten verschijnen. Hij gaat ‘aan de galeien’ en verwerft met zijn publicaties op het gebied van de archeologie, en vooral de scheepsarcheologie, internationale erkenning. In 1995 promoveert hij, 75 jaar oud, bij Fik Meijer op een onderzoek naar de theorievorming over de positionering van galeislaven in antieke roeischepen (triremen).

Daags na zijn promotie meldt Lehmann zich bij zijn uitgever. Hij maakt, vanaf 1996, een geslaagde literaire comeback met de bundel Vluchtige steden (en zo) en een onvergetelijke rap tijdens zijn optreden in de Nacht van de Poëzie. Er volgt een tweede verzamelwerk Gedichten 1938-1998 (samengesteld door Tom van Deel) en lovende ontvangst van de bundels Toeschouw (2003) en Wat boven kwam (2006). Van 1995 tot 2005 draait hij ‘zijn’ muziek in VPRO’s radioprogramma De Avonden; van honderden radiopraatjes zijn er 41 gebundeld in De muziek van Louis Lehmann (2006). In 2008 verschijnt Laden ledigen, een keuze uit hervonden werk. De jeugdherinneringen, beschouwingen, tekeningen, columns, muziek- en toneelstukken en vertalingen in het boek illustreren opnieuw Lehmanns grote veelzijdigheid. Ten slotte verschijnt in 2010 een bundeling niet eerder gepubliceerde poëzie onder de titel Schoon schip en brengt de Nederlandse Academie van Patafysica, waar hij erelid van was, een overzicht van zijn neologismen, Kort Verslag van de Gebeurtenissen: 15.000 denkbeeldige woorden die Lehmann in de loop der jaren heeft geschreven.

Lehmanns werk wordt geprezen om de mengeling van jeugdige rebelsheid en volwassen intellectualiteit. In 2010 werd hem door het Fonds, als dank voor zijn poëzie en voordrachtskunst, een eregeld toegekend. Zelf wuifde hij het belang van (zijn) poëzie liever weg. Muziek en dans waren zijn grote liefdes, literaire erkenning interesseerde hem niet erg, zijn blik was eerder gericht op de eenden in de gracht voor zijn deur of zaken zonder veel belang. Zo schreef hij in Wat boven kwam:

van mij kan men zeggen
dat ik mij verlies
in kleinigheden.
Maar ook dat ik me er in vind.

Enkele links:

Een gracht, waar eend en waterhoen / voortdurend watertrappen / om voort te gaan, niet om te drijven / zoals de watervreemde mens.