weblog

Een maand in het Roland Holsthuis

Zwerversliefde

28 mei 2019

Het is maandag 4 maart. De eerste Bergense boekhandel waar ik de sleutel mag halen, gaat om 13.00 uur open. Tot die tijd dwaal ik door het dorp en kijk met de ogen van een buitenstaander. Wanneer de boekhandel open is, meld ik mij. Met de sleutel rijd ik naar het huis. Een cottage uit de vorige eeuw met een kleine tuin eromheen, het huis ligt aan een dijk. Wanneer ik door de deur naar binnen ga, denk ik aan Alice en aan de kledingkast in De kronieken van Narnia. Ik beland in een andere wereld.

De kamer beneden heeft een prachtig uitzicht op weilanden, de masten van een voetbalclub steken erboven uit. Er loopt een fietspad langs, evenwijdig aan de Nesdijk. Het pad gaat naar Alkmaar en ik zal er ook fietsen. ’s Ochtends en ’s middags zal ik er middelbare scholieren zien. Er staat een groot bureau met een computer en een printer. Er staat een dekenkist die er tijdens het leven van de grote dichter ook stond. Boven is er een grote slaapkamer, een kleine slaapkamer, een badkamer en een kleine werkkamer. Dat ik in die kamer goed zal schrijven, weet ik dan nog niet.

Ik lijk net Goudlokje uit het gelijknamige sprookje dat in het huis van de beren even in het bed gaat liggen, even in een stoel gaat zitten, iets uit een kom drinkt, kortom, de sprookjesfiguur die onwennig en nieuwsgierig de ruimte probeert te veroveren. De eerste dag is behalve een onwennige ook een praktische dag: inrichten, installeren en boodschappen doen.

De nacht hier is aardedonker. Sterren flonkeren, ik hoor een uil. Ik doe het licht weer aan en lees in Het hoofdkussenboek van Sei Shōnagon het lijstje ‘Dingen die je de stuipen op het lijf jagen’: nachtelijk donker.

Dag twee begint goed: de vogels fluiten, het uitzicht is wonderschoon, boven de velden hangt een lichte nevel, de lucht is helderblauw en het Randstedelijk geraas van verkeer ontbreekt. Heel ingewikkeld is mijn programma niet: schrijven aan een nieuwe roman. Ik heb al een aantal scènes geschreven, het verhaal zit compleet in mijn hoofd, het hoeft alleen maar op papier te worden gezet. Om negen uur ’s ochtends zit ik achter het grote bureau in de woonkamer. Buiten blaft de hond van de buren, binnen kijkt de overleden dichter mij vanaf een foto vorsend aan. In de boekenkast ritselen de pagina’s die geschreven werden door mijn voorgangers. De schrijvers fluisteren. Het schrift voor mij blijft leeg. Een rondje lopen om het huis, een kop koffie zetten, lezen wat ik al had. Het schiet niet op. Ik besluit mijzelf voor de gek te houden door van werkplek te veranderen. Ik installeer mij in de kleine werkkamer.

Ook boven het bureau hangen foto’s van Adriaan Roland Holst. Een mooie man, maar hij leidt wel af.

Uit mijn materiaal haal ik de portretten van de belangrijkste personages uit mijn roman in wording en zelfs een afbeelding van het interieur van de hoofdpersoon, die plak ik over de foto’s van Adriaan heen.

Zo. Dit is mijn bureau, dit zijn mijn mensen, dit is mijn maand. Ik begin te schrijven. Na een paar uur, verplaats ik mij naar beneden waar ik het geschrevene – inderdaad, ik schrijf met de hand – in mijn computer klop. Daarna ga ik naar buiten. Het ritme is gevonden.

Iedere dag, na iedere onheilspellende nacht, schrijf ik in de werkkamer boven. De tekst groeit, ik leg verbanden, ik drink koffie, ik denk, ik lees, ik bel met het thuisfront en later in de middag verken ik de omgeving. Het licht hier vlak achter de duinen aan zee is ongekend helder, de lucht is veel weidser dan in Rotterdam en de natuur veel meer aanwezig. Ik fiets naar Schoorl, een dag later naar Egmond, ik fiets naar Alkmaar, ik wandel door de duinen. Voor ik het weet is er een week voorbij en komt het thuisfront naar mij. Een storm trekt over mijn hoofd. Het lijkt herfst. Hier achter de duinen en de zee stormt het intenser dan thuis. In mijn roman stormt het ook, ik hoef alleen te luisteren en te kijken.

Ik ga naar Amsterdam voor een voorstelling, wanneer ik ’s avonds terugkom in Bergen, is het er uitgestorven. Terwijl ik door het verlaten dorp naar de Nesdijk loop, bedenk ik dat je hier goed een thriller zou kunnen verfilmen. Een man loopt mij tegemoet. Tergend langzaam nadert hij. De muziek zwelt aan, ik hoor paukenslagen. Gelukkig, hij laat een hond uit. Het probleem is dat ik te veel fantasie heb.

Na drie weken – ik ben nog net geen zonderling, vaak is het meisje achter de kassa de enige die ik op een dag spreek, en onze conversatie beperkt zich tot de enkele noodzakelijke woorden die nodig zijn voor een boodschappentransactie – ga ik naar het boekenbal. Ik fiets naar Alkmaar. Ik neem de trein naar Amsterdam en loop vanaf Centraal naar mijn hotel. Na weken slecht weer, is het even ongekend warm. De terrassen zitten vol, de lucht is zwaar en zoet van de wiet, koffertjes rollen de stoep tot geluid. Taalvariaties van Babylonische proporties. De stad bevreemdt mij. Ik heb zin om te vluchten. Maar nee, ik ga naar het bal en jazeker, ik heb een leuke avond.

Wanneer ik de volgende ochtend vroeg wakker word, besluit ik snel terug te gaan naar het kleine huis op de dijk. Buiten is het koud, grijs en vochtig. De stoepen worden schoongespoten, enkele vroege vogels ontwijken de harde stralen van de schoonmakers van de gemeentereinigingsdienst. Ik loop naar het station. Binnen een uur ben ik thuis op de dijk. Ik ga in de kamer beneden zitten en kijk naar buiten, ik hoor in de verte de geluiden van de voetbalvelden. De dag glijdt in een wazige mist voorbij.

Vrienden komen eten, RM leest Roland Holsts 'Zwerversliefde' voor:

‘Laten wij zacht zijn voor elkander, kind.’

Ik bezoek de begraafplaats van Bergen, bij het graf van Adriaan Roland Holst zeg ik hardop dat alles goed gaat met het huis. Stanno tutti bene. Misschien heb ik te veel films gezien. Eduard du Perron, Lucebert, Charley Toorop en Joost Zwagerman liggen er ook begraven. Ik bezoek ze allemaal.

Dan breekt de laatste week aan. Ik krijg haast, haast om zo snel mogelijk nog zo veel mogelijk te schrijven. De lege plekken in het manuscript raken gevuld, de keuzes zijn gemaakt, ik hoef het alleen maar af te maken, tegelijkertijd is dat het allermoeilijkst.

Ik mag een rondleiding geven in museum Kranenburgh langs schilderijen die mij aanspreken. Het is een mooi museum met interessante tentoonstellingen van Awoïska van der Molen en de Vlaamse Expressionisten. Veel onbekenden en gelukkig ook een bekende komen erop af.

Dan is het al donderdag en zit mijn tijd er bijna op. Ik tel af. Ik ruim op, ik maak schoon en ik breek af. Als allerlaatste haal ik de portretten van de muur in de kleine kamer boven. Zij waren mijn gezelschap. Wanneer de auto ingepakt is, maak ik nog een rondje door het huis. Daarna stap ik de deur door naar buiten, terug naar huis.

Schrijver

Sophie Zijlstra

(1967) debuteerde in 2007 met het goed ontvangen Mevrouw Couperus. Daarna publiceerde ze Potifars vrouw (2010) en Margot (2012), een roman gebaseerd op het leven van Margot Frank. In het najaar van 2012 schreef ze het toneelstuk Een macaber kerststuk, dat eenmalig is opgevoerd. In 2016 verscheen De verlossing van Liesbeth Bede, een absurdistische roman rondom een vrouwenlegioen.

Bekijk alle weblogs van Sophie Zijlstra