weblog

Roman Helinski in Tsjechië

Mijn eerste vertaling, mijn eerste tournee

5 november 2018

Maandag

Laat ik eerlijk zijn: mijn roman De wafelfabriek belandde per toeval op het bureau van mijn Tsjechische redactrice, die óók Fins vertaalster is. ‘Hier’, zei de uitgever van Albatros Media Plus. ‘Een boek over Helsinki. Misschien kunnen we er wat mee.’ Het is niet de eerste keer dat mijn achternaam voor de hoofdstad van Finland wordt aangezien, maar wel de meest fortuinlijke. Want hier zit ik: met een espresso voor mijn neus op een pleintje in Praag, aan het begin van een week vol lezingen.

Blanka Juranová, die mijn roman in het Tsjechisch heeft vertaald als Továrna na vafle, zal me alle dagen begeleiden, ook als tolk. ‘Jij spreekt misschien wel Engels,’ zegt ze. ‘Maar een groot deel van de Tsjechen niet.’ Mijn eerste interview is vlak na die espresso in de lobby van mijn hotel. Ik voel me een sporter die nog niet is opgewarmd. Ik heb al maanden weinig tot zelfs niet over het boek gesproken. De interviewster knalt erin: ‘Op de achterflap staat dat het boek Orwelliaans is, vind je zelf ook dat je boek op Animal Farm lijkt?’ Ik weet geen antwoord, probeer me onhandig onder die vergelijking uit te manoeuvreren. Wat is een goed antwoord op zo’n vraag? ‘Orwell, wie is dat?’

’s Avonds gaan we uiteten: uitgeefster, redactrice, vertaalster en ik. Tot laat drinken we in een voormalig communistisch café, waar de befaamde Praagse kunstenaar David Cerny een dronkenmansdans uitvoert. De sfeer is goed; mijn roman is erg mooi ontworpen, veel mensen zijn nieuwsgierig. Maar op Goodreads komen een paar bloggers met scherpe kritieken en tegenvallende waarderingen. Eentje schrijft: ‘Hij doet wel erg zijn best om Orwell te zijn.’ Woensdag zal ik haar en een paar andere bloggers ontmoeten tijdens een book club. We maken het laat die eerste avond – onder invloed van Tsjechische slivovice vertel ik de uitgeefster nog een hele poos over mijn derde boek.

Dinsdag

We nemen in alle vroegte de trein naar Olomouc in Moravia, bijna drie uur in oostelijke richting. In de trein besef ik voor het eerst echt dat ik een toer aan het maken ben als schrijver. Vaak ben ik onderweg voor reisbladen, maar dit is anders. Dit is voor de roman die volledig in mijn hoofd is ontstaan. Bossen schieten buiten voorbij, eenzame spoorwachters komen bij elk stationnetje even hun vervallen huisje uit om te kijken naar onze intercity. Olomouc blijkt een compacte stad, met een joekel van een kathedraal. Tot mijn verbazing is er een Nederlandse vakgroep. In plaats van in een leslokaal te spreken, word ik geïnterviewd in een cafeetje. Ik drink rode wijn. Zo’n twintig studenten Nederlands – bijna allemaal Tsjechische vrouwen – hangen aan mijn lippen, maar misschien nog meer aan de lippen van mijn vertaalster; zij heeft hier gestudeerd, en een paar van deze meisjes willen ook vertaalster worden.

Het is een fijn gesprek, nauwelijks over Orwell, maar die komt ook hier voorbij. Mijn vertaalster vertelt me dat Jaap Robben vorig jaar toerde door Tsjechië en dat in het persbericht stond dat Birk over incest gaat. De arme Jaap Robben kreeg vooral daarover vragen tijdens interviews en lezingen. Misschien vertelt mijn vertaalster me dit verhaal om aan te geven dat ik niet zo moeilijk moet doen over die Orwell-vergelijking; het kan altijd erger. Tijdens het interview lonk ik een beetje naar de ontzettend knappe studente die achterin zit en misschien lonkt ze nog terug ook, maar wat hebben we eraan? Ik heb een vol programma, tot vrijdag is er geen vrij moment.

We reizen na het interview meteen terug naar Praag. Met een vroegere trein dan gepland. De redactrice moet eerder in Praag zijn dan gedacht. Vertaalster Blanka zegt: ‘Wij kunnen vanavond teruggaan, dan laat ik je de stad nog een uurtje zien.’ Maar ik wil ook meteen terugreizen, aanvankelijk voer ik daarvoor het slappe excuus aan dat zo’n interview vermoeiend is. Maar in de trein onthul ik de echte reden: Ajax-Benfica. Als we nu teruggaan, ben ik nét op tijd voor de wedstrijd. Ik ren het laatste stukje naar mijn hotel, constateer vloekend dat de wifi niet deugt op mijn kamer en kijk de wedstrijd op mijn laptop in de lobby van het hotel, met een pilsener en een ober die soms even meekijkt en me een hand geeft als Ajax in de laatste minuut scoort.

Woensdag

Ik reis naar de uitgeverij, op een bedrijvencomplex in Praag en signeer boeken. Ik neem een video op waarin ik de lezers van mijn boek alvast een fijne kerst moet wensen, maar in plaats daarvan wens ik ze per ongeluk een gelukkig nieuwjaar. Omdat zo’n video opnemen ongemakkelijk is, laat ik het erbij zitten en zeg er niks over. Ik weet vrij zeker dat die video me online nog jaren gaat achtervolgen. Als de opname achter de rug is, zetten we koers naar het hoogtepunt van deze tournee: de presentatie van de roman in de Praagse wafelbistro Wafwaf, een McDonalds voor wafels. Al snel wordt duidelijk dat de medewerkers daar geen idee hebben wie we zijn of wat we komen doen. We besluiten de zaak tafel voor tafel te annexeren en kijken nieuwe wafeleters de tent uit. Vlak voor zessen stroomt Wafwaf vol met ons volk: collega-vertalers van Blanka, vrienden van de uitgeefster, twee journalisten en tal van studenten van de Praagse vakgroep Nederlands. Opvallend jong is het literaire publiek vanavond. Zeker naar Nederlandse standaarden. Ook schrijver Chrétien Breukers verschijnt, die al een jaar in Praag woont. Met hem zal ik later nog een middag door de stad kuieren, en me vergapen aan het draaiende hoofd van Kafka.

Het is een ongelofelijke avond in Wafwaf. Ik zeg niet veel. Wat gebeurt hier nu precies? Op een herfstavond in Praag stroomt een café vol met mensen vanwege een roman die ik schreef. Het is een fantastisch besef, en ik ben er wat bedeesd van. Maar zo snel als de zaak vol is gestroomd, zo snel en onverwacht stroomt hij ook weer leeg. Een leger bloggers komt binnen en met harde hand sommeert de boekenclubleider de mensen te vertrekken. Ik schuif aan tafel aan, maar voel me geen moment op mijn plek. De leider van de boekenclub is zo druk bezig met zichzelf te gedragen als een boekenclubleider dat hij helemaal niet luistert naar de antwoorden die ik geef op zijn vragen.

Zijn harem bestaat uit tien blogsters die voor zover ik kan zien nog op de middelbare school zitten. Ze maken geen oogcontact, zeggen niks tegen me. Ik herken het meisje dat schreef dat ik Orwell teveel na probeer te doen van haar foto. Ze komt er ronduit voor uit als ze het woord heeft: ‘Echt een slecht boek.’ Ze kijkt me trots aan, dat heeft ze maar mooi gezegd. Ze zit met tegenzin aan tafel denk ik, en maakt uit verveling foto’s. Van het omslag, van de wafel met verkruimelde oreo’s die ze heeft besteld, van zichzelf.

Ook de anderen instagrammen zich door mijn woorden heen. Het maakt niks uit wat ik antwoord, er komt nauwelijks reactie. Ik probeer hier en daar een grapje, zeg een keer iets dat voor racistisch door kan gaan – puur om een reactie uit te lokken. Maar het baat niet. Na een klein uur is het voorbij en signeer ik het boek van de leider met: ‘Voor Jakob, onze eigen Arka vanavond.’ Een verwijzing naar het onhebbelijke personage Arka Narovski in mijn roman. Ik voel me ineens erg moe, deze dagen vreten energie. Toch drink ik tot laat bier met mensen van de uitgeverij. Het gesprek met de bloggers vergeet ik snel – wat overheerst is de gedachte aan de volle bistro tijdens de presentatie. Ik hou van de Tsjechen en maak als ik aangeschoten terug naar huis loop door de nacht plannen om in Praag te gaan wonen.

Donderdag

Weer twee uur met de trein, dit keer naar Zuid-Bohemië. Kriskras door het land, zo had ik me een tournee voorgesteld en zo is hij precies, wat een genoegen. In České Budějovice wacht de sjofel geklede Tsjech Mira me op. Miroslav Boček, zoals hij voluit heet, is schrijver en organisator van literaire avonden deze stad met negentigduizend inwoners waar de Pragenaren hun neus voor ophalen. Mira schreef een dystopische roman die ik graag zou lezen, maar zijn werk is helaas niet vertaald. De open houding waarmee hij me vanaf het eerste moment benadert is erg prettig, geen spoor jaloezie bijvoorbeeld, alleen maar liefde voor de literatuur; hij vertelt me tijdens het eten van goulash dat hij heeft genoten van mijn roman. De massa die op hol slaat in het boek spreekt hem aan, de volgzaamheid doet hem denken aan sommige landen van tegenwoordig. We lopen naar een charmant, klein café met boeken als behang aan de muren. Het is donker en leeg in het café. Als ik Mira onwennig zie schuiven met de tafels, vraag ik me af of hij dit ooit eerder heeft gedaan, maar naar eigen zeggen organiseert hij al tien jaar dit soort avonden. Vaak met Tsjechische auteurs, soms met buitenlandse.

Ik vraag me af wat we hier vanavond gaan meemaken, of we iets gaan meemaken. Maar zoals steeds loopt ook dit cafeetje vol. De Tsjechen omarmen cultuur, omarmen literatuur. Ook als die geschreven is door een onbekende Nederlandse schrijver. Een vriend van Mira heeft een schort om en bakt wafels in een hoek van het café. Twee vrouwen vooraan hebben mijn boek al gelezen. Ze stellen allerlei vragen. Dat moet wel, want Mira is introvert, geen handige eigenschap voor een interviewer. Als ik antwoord heb gegeven, schrikt hij steeds op en beseft dat de beurt aan hem is, waarna hij een poosje stil is, zucht en zich dan tot het publiek wendt: ‘Iemand vragen?’ Midden in het gesprek staat Mira plots op, neemt een wafel, spuit er slagroom op en strooit er chocoladevlokken over. We kijken zwijgend toe hoe hij met de wafel verdwijnt naar een aangrenzende ruimte loopt. Hij gaat de serveerster een wafel brengen.

Een paar minuten is hij weg, en als hij terugkomt gaan we gewoon verder waar we zijn gebleven. Hij geeft na weer een korte stilte plots een fantastische samenvatting van mijn roman, en plaatst hem in de tijd en in het politieke landschap van Tsjechië. De mensen knikken, haken in met vragen. Ik vertel wat ik goed vind aan Animal Farm. Het publiek is ook vanavond gemiddeld een stuk jonger dan in Nederland tijdens lezingen. En ook hier worden na afloop boeken verkocht, en mag ik weer signeren. Daarna drinken we aan de toog absinth. Dat kan nu, want de toer zit erop. Morgenvroeg terug naar Praag, waar ik het niet kan laten om naar de grote boekhandel te gaan om te kijken of mijn roman daar ligt. Acht exemplaren tel ik. Zullen ze allemaal worden verkocht? Als ik eerlijk ben maakt het me niet zoveel uit. Mijn eerste vertaling, mijn eerste tournee. Dit pakt niemand me meer af.

Meer informatie

Morgenvroeg terug naar Praag, waar ik het niet kan laten om naar de grote boekhandel te gaan om te kijken of mijn roman daar ligt. Acht exemplaren tel ik. Zullen ze allemaal worden verkocht? Als ik eerlijk ben maakt het me niet zoveel uit. Mijn eerste vertaling, mijn eerste tournee. Dit pakt niemand me meer af.

Schrijver

Roman Helinski

(1983) debuteerde in 2014 met de roman Bloemkool uit Tsjernobyl bij Prometheus. In september 2017 verscheen zijn tweede roman De wafelfabriek, uitgegeven door Hollands Diep. Helinski schrijft korte verhalen voor o.a. het voetbaltijdschrift Hard Gras en voor literaire bladen als Hollands Maandblad, Tirade en Das Magazin.

Bekijk alle weblogs van Roman Helinski