weblog

Reisblog #7: Geart Tigchelaar per fiets naar Denemarken

Kilometers langs een Deens-Friese horizon

14 september 2018

Het plan voor een nieuwe roman had ik allang in mijn hoofd, maar ik kon op mijn manier maar niet de tijd vinden om eraan te beginnen. Om die en andere redenen ben ik vorig jaar in oktober op de fiets gestapt en richting Denemarken afgereisd, in de hoop niet alleen op de fiets, maar ook op papier heel wat kilometers af te leggen.

Fietsen – en dan niet vanuit Harlingen een rondje Appelscha of Terschelling, maar fietstassen vol slaapgoed, brandertje, potten en pannen en een tentje achterop om dan meerdere weken al dan niet meerdere maanden op reis te zijn – is mijn grote passie. Laat daar ook mijn volgende roman over gaan: een jongeman die door de dood van zijn broer eindelijk de stoute schoenen aantrekt om richting de Noordkaap te fietsen. Door een onverwachte wending slaagt hij daar echter niet in. Hij blijft halverwege Zweden hangen, ontmoet daar een meisje, maar dan staan de Russen op de Zweedse drempel.

Maar waarom ben ik dan vorig jaar afgereisd naar Denemarken om daar twee maanden aan mijn boek te werken? Een paar jaar terug ben ik voor het eerst naar het kleine plaatsje Kattrup in Denemarken gefietst om daar aan WWOOF’ing (Willing Workers On Organic Farms, een wereldwijd netwerk om op een bio-boerderij tegen kost en inwoning enkele uren per dag te werken) te doen. Ik zat zes weken bij een gezin dat meer groenten wilde verbouwen om zo meer in hun eigen onderhoud te kunnen voorzien. Het klikte erg van beide kanten, dus bezoek ik hen nog regelmatig. Toen ik hen vorig jaar vroeg of ik voor een langer (schrijvers)verblijf bij hun familie kon vertoeven, was dat dan ook binnen vijf minuten slechte Skype-verbinding geregeld. De oudste zoon was naar een zogenaamde ‘Efterskole’ (een soort kostschool na de middelbare school waar kinderen een jaar naar toe kunnen en daar ook een kamer hebben), dus zijn kamer kon ik gebruiken als werk- en slaapvertrek.

Ik heb dus mijn fiets uit het hok gehaald, warme kleding en mijn laptop in de fietstassen gedaan en zo ben ik in vijf dagen afgereisd naar het kleine dorpje dat tussen Horsens en Århus in ligt. Daar in het rustige dorp kon ik zonder afleiding werken aan de roman.

Dus ’s morgens vroeg uit bed om met de familie te ontbijten. Wanneer iedereen naar school en werk was, ging ik wederom naar boven om de laptop aan te slingeren. Tot een uur of twaalf schrijven – met uiteraard tussendoor de nodige thee en koffie – om dan het middagmaal te nuttigen. Even een blokje om, zodat ik daarna tot een uur of vier door kon schrijven. Ik ben niet iemand die aan één ruk door tot in het holst van de nacht doortikt, maar ik werk zo’n beetje als een ambtenaar. Met zo’n vast dagritme heb ik in twee maanden tijd een erg mooi begin kunnen maken.

Met het plan om in Denemarken aan mijn te schrijven boek te werken, vond ik het tevens hoog tijd om mij meer in de Deense literatuur te storten. Door mijn eerdere verblijf in Denemarken sprak ik de taal al redelijk, maar verder dan een boek of twee was ik nog niet gekomen in de Deense literatuur. Door de literatuur van een land te leren kennen, leer je het land zelf meer van binnenuit kennen. Via het Aarhus Litteraturcenter zocht ik contact met hedendaagse schrijvers en dichters, in de hoop dat zij mij wegwijs konden maken in de Deense literatuur. Zo ontmoette ik prozadichter Carsten René Nielsen, die me uitnodigde een wandeling rond Århus te maken.

We hebben 25 kilometer lang over literatuur en aanverwante zaken gesproken. Bijvoorbeeld over het feit dat er niet zoveel dichters zijn die zich met prozagedichten bezig houden. In het Deense taalgebied is hij daarin vrij uniek. Bij mijn weten hebben wij ook maar één Friese dichter die een bundel prozagedichten heeft gepubliceerd, namelijk Nyk de Vries. Carsten was nogal verbaasd dat wij voor zo’n klein taalgebied als het Friese relatief veel uitgeverijen hebben, en ook nog eens uitgeverijen die poëzie willen publiceren. Bovendien heeft hij mij geïntroduceerd bij andere dichters. Onder andere bij Tomas Dalgaard, die organisator is van een poëzieclub in Århus. Zij treden regelmatig op in een boekwinkel in de tweede grootste stad van Denemarken. Ik heb zo het plezier gehad daar en elders ook op de Bühne te hebben mogen staan met in het Deens vertaalde gedichten, waarbij Carsten mij heeft geholpen. Een paar daarvan hebben ook in het Deense poëzieblad Det Poetisk Bureau gestaan dit jaar.

Die samenwerking gaat ook de andere kant op, zo ben ik namelijk begonnen met het vertalen van dichters die ik in Århus heb ontmoet, vijf prozagedichten van Carsten zijn inmiddels in het Fries literair tijdschrift Ensafh gepubliceerd en ook verschijnen er korte filmpjes van enkele dichters met één of twee gedichten in vertaling erbij op de website van Ensafh. Carsten is afgelopen zomer in Leeuwarden geweest, vanwege het feit dat het de Culturele Hoofdstad van Europa is dit jaar. Hij heeft daar samen met andere (buitenlandse) dichters opgetreden en heeft zo tevens kennis gemaakt met Friese dichters. Hij was erg onder de indruk van de poëzie van Cornelis van der Wal – ietwat absurdistisch, rauw en fantasierijk – en daarom zijn Carsten en ik nu bezig enkele gedichten van hem te vertalen. Daarna zullen er naar verwachting meer dichters volgen om te publiceren in Deense tijdschriften en mogelijk kunnen we over een paar jaar een bloemlezing samenstellen.

Er wordt weleens gezegd dat Denen vrij gesloten zijn, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt. Wellicht helpt het wanneer je een grote gemene deler hebt, namelijk de literatuur. Ik had het gevoel heel gemakkelijk in het Århusiaanse literaire wereldje verzeild te zijn geraakt. Daardoor heb ik in twee maanden tijd mijn horizon kunnen verbreden door mij in een nieuwe literatuur te verdiepen, nieuwe mensen te ontmoeten en kan ik daardoor ook mijn vertaalgebied uitbouwen. Om die reden stap ik eind dit jaar wederom op de fiets naar Kattrup om (hopelijk) de laatste hand aan mijn roman te leggen en de verschillende samenwerkingen verder te ontwikkelen.

Er wordt weleens gezegd dat Denen vrij gesloten zijn, maar ik heb daar nooit iets van gemerkt. Wellicht helpt het wanneer je een grote gemene deler hebt, namelijk de literatuur.

Schrijver

Geart Tigchelaar

(1987) is geboren en getogen in Damwâld, maar woont nu in Harlingen. Naast dichter is hij schrijver en vertaler. Hij won de Tammingaprijs in 2017 voor zijn poëziedebuut leech hert yn nij jek en de Obe Postmaprijs in 2016 voor zijn Friese vertaling van Godfried Bomans Erik of it lyts ynsekteboek. In 2018 werd zijn roman Bêste jonge genomineerd voor de Rink van der Veldeprijs. Op het moment werkt hij aan zijn tweede roman, die hij hoopt volgend jaar te voltooien. Daarna wil hij graag aan de slag met een nieuwe gedichtenbundel. Ook is hij redacteur van het Friestalige literaire tijdschrift Ensafh, is hij toerfietser en drummer van de doommetalband Doomwâld.

Bekijk alle weblogs van Geart Tigchelaar