weblog

Reisblog #2: Sana Valiulina in Oeral, op zoek naar de geschiedenis van de Goelag Archipel

Waar alle wegen ophouden

11 augustus 2018

Hoe arriveerde mijn vader tweeënzeventig jaar geleden in het plaatsje dat we straks binnenrijden? Per boot, per smal spoor? Het eerste lijkt waarschijnlijker. Want Nyrob, de nederzetting waar in 1601 Michail Romanov – een oom van de eerste Russische tsaar van het huis Romanov én een concurrent van diens opvolger Boris Goedoenov – in een kuil van honger en ontberingen de martelaarsdood is gestorven, ligt aan de rivier Kolva die weer met talloze andere riviertjes is verweven in deze barre streek driehonderd kilometer onder de poolcirkel. Maar zeker weten doe ik het niet. Dat heeft mijn vader me nooit verteld.

Bovendien, niet mijn vader arriveerde hier, maar de bolsjewieken arriveerden hem: in Stalins Rusland beschikte je niet zelf over je ziel, lijf en lot, maar behoorde je met huid en haar aan de staat toe. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij als krijgsgevangene veroordeeld tot tien jaar kamp en vijf jaar ontzetting uit alle burgerrechten. Nyroblag (letterlijk: het kamp van Nyrob), een eilandje in de Goelag Archipel, was het eerste station van zijn reis door Stalins kampen. Later volgden er nog drie. Ik weet dus niet hoe hij na de lange zeereis van North-Yorkshire naar Odessa hier arriveerde, wel weet ik dat hij in Normandië en Bretagne, waar hij eerst voor de Duitsers moest werken en later, na D-Day, naar de Amerikanen vluchtte, bramen had geplukt die welig langs de landelijke Franse wegen tierden. Dat vond mijn vader kennelijk interessanter om te vertellen. Een eenvoudige Tataarse jongen uit Moskou, nog met het gefluit en geknal van de dood in zijn oren, loopt verrukt, te midden van de stervende wereld, bramen te plukken! En hij hoeft niet eens te bukken, zoals de nederige paddenstoelenplukkers in zijn land, dat een zesde van het wereldoppervlak beslaat.

We rijden Nyrob binnen in een tweedehands Hyundai-bus die wordt bestuurd door Zjenja Bader, een zzp-er uit Perm en de kleinzoon van Krim-Duitse bannelingen oftewel “speciale migranten” . Na de Tweede Wereldoorlog werden ze hierheen verbannen om te werken aan de industrialisatie van het Sovjet-imperium. Gewoon ergens aan een rivier uitgeladen om er een stad te bouwen. Alle twintigste-eeuwse steden en dorpen in het noorden van de Oeral-regio met een Russische naam zijn gebouwd door dwangarbeiders – de namen van oudere nederzettingen (zoals Nyrob) zijn vaak ontleend aan het Komi-Permjaks, de Fins-Oegrische taal van de autochtone bevolking. Het is van oudsher, met die arme bojaar Michail Romanov als trendsetter, het land van bannelingen en kampen; de woeste natuur is de beste bewaker. De horizontale grenzeloosheid van bossen en rivieren als een onneembare muur tot aan de hemel!

Nyrob (nyr betekent neus in het Komi-Permjaks) verwelkomt ons met wachttorens en hoge hekken aan weerszijden van de weg, met daar bovenop prikkeldraad. Van de vroegere ‘kampweelde’ zijn hier nog drie strafkolonies over. Tweeënzeventig jaar geleden telde Nyroblag dertien onderkampen. In welke hebben ze mijn vader gestopt, die de Europese lucht had opgesnoven en daarom gevaarlijk werd geacht voor de Sovjet-burgers?

De Perm-regio ligt voor 99,4% in Europa en voor 0,6% in Azië. Dit monument staat op de plek waar de twee continenten elkaar ooit hebben ontmoet.

Ook de grootouders van onze gids Milana, die een klein reisbureau runt in Perm, blijken bannelingen te zijn. Er worden niet veel woorden aan vuil gemaakt, en ik ben niet iemand die doorgaat met impertinente vragen. Want zo voelt het – impertinent. Is de terughoudendheid van de Russen te wijten aan het feit dat ik uit Nederland kom en dus geen echte Rus meer ben? Of zien ze het kwaad als een onontkoombaar deel van het bestaan, als een oergegeven, zoals de machtige natuur om ons heen, waar je toch niets aan kan doen en waarover je daarom beter je mond kunt houden? Het lijken net Nederlanders met hun obsessie voor gezelligheid. Hoe vaak werd een interessant gesprek niet in de kiem gesmoord doordat iemand vroeg het vooral gezellig te houden en “niet over droevige dingen te praten”? Of hebben we gewoon samen te weinig wodka gedronken? Vermoedelijk speelt het allemaal een rol plus een x-aantal voor mij ondoorgrondelijke redenen die maken dat men niet graag over de harde feiten van het leven wil praten in het gebied waar die feiten zich juist in alle hevigheid hebben afgespeeld. Vermoedelijk wordt het gesprek zo nu en dan in “goede” banen geleid om de lieve vrede te bewaren, want tegenwoordig weet je het nooit: na de Krim is Rusland een extreem verdeeld land geworden. Wat mis ik de verhitte keukendiscussies van weleer over het lot van Rusland. Maar in dit post-truth tijdperk richt men zich op het goede, het ware en het schone.

Tegenwoordig bevindt het goede, het ware en het schone in Rusland zich niet alleen in musea en theaters, zoals ook al het geval was in de Sovjettijd, maar vooral in de kerk. We stappen uit onze Hyundai-bus en beginnen ons in de stromende regen te vermommen als vrome reizigers. Één doek om het hoofd, een andere, grotere om de heupen. De lokale pope houdt niet van frivole vrouwen met spijkerbroeken aan. Als we na zijn goedkeuring op de lage banken langs de muren hebben plaatsgenomen, handen op schoot, begint hij te vertellen. Over de gruwelijke hongerdood van de arme bojaar Romanov in een koude kuil; over diens heilige lichaam dat na vijf jaar in het graf te hebben gelegen, nog helemaal intact was, op twee vingers na; over Sint-Nicolaas wiens icoon drie keer achtereen aan de lokale kooplieden was verschenen op een boomstronk met een brandende kaars, tot ze eindelijk begrepen dat er in Nyrob een kerk moest komen, en over de geheimzinnige werklieden die uit het niets waren opgedoken om die kerk te bouwen, waarna elk stuk dat gebouwd werd weer onder de grond verdween om op de dag van hun even geheimzinnige vertrek in al zijn goddelijke schoonheid, in zijn geheel uit de grond te verrijzen… Wat zou mijn vader hiervan vinden? In zijn tijd stond er een dierenstal in de kerk en werd er door leden van de Militante Antireligieuze Bond vuilnis gestort in de heilige kuil. En nu is Nyrob het pelgrimsoord geworden voor de Romanov-vereerders en overige patriotten, compleet met een historisch theater waarin het leven van de heilige Michail wordt nagespeeld. In de zomer van 1998 werd het plaatsje zelfs bezocht door zeer hoge gasten: de laatste Romanovs. Het goede, het ware en het schone lijken eindelijk te zegevieren. En dat betekent: vooral niet over droevige dingen praten. Ergo: de geschiedenis van de kampen, van de slachtoffers van Stalins terreur, en van mijn vader lijkt te verdampen tot een voetnoot in de roemrijke historie van Rusland.

De bus brengt ons terug naar ons hotel dat is gebouwd op een plek waar ooit een vliegveld was. Bij gebrek aan wegen verplaatste men zich hier in de jaren zeventig met kleine vliegtuigen. Als de niet meer zo vrome reizigers beginnen te klagen over de slechte wifi, zegt de eigenares doodgemoedereerd dat dit aan geheime apparatuur is te wijten. Die werd destijds gebruikt om het vliegveld te beveiligen. Ongelovige blikken, gegrinnik. Zou het waar zijn? Geen idee, maar het is Rusland. Hier is niets wat het lijkt en alles is mogelijk.

Het is nog te vroeg voor het avondeten, ik loop naar buiten en kijk naar het bos waar we net vandaan zijn gekomen, daar waar alle wegen ophouden. Nyrob. Ik heb de grond gekust waar mijn vader heeft gelopen, maar van kussen alleen krijg je geen kinderen, zoals de Russen zeggen. Ik kom terug.

In Didar en Faroek schreef Valiulina in fictieve vorm over het leven van haar Tataarse ouders tijdens het terreurbewind van Stalin, binnenkort begint ze aan een meer essayistisch werk over haar ouders, deze periode en de kampen waartoe haar vader werd veroordeeld. Ter voorbereiding op dit boek (werktitel De bramenplukker) ging ze vorige zomer naar de Perm-regio in Zuid-Oeral, om daar enkele, inmiddels hoogbejaarde familieleden te interviewen en om het gebied te bezoeken waar de Goelag-kampen waren gevestigd. Voor deze reis ontving Valiulina van het Letterenfonds een bijdrage in de kosten. Aansluitend reisde ze door naar Moskou waar haar Russische vertaling van haar roman Kinderen van Brezjnev werd gepresenteerd.

Links

Schrijver

Sana Valiulina

(1964) groeide op in Tallinn (Estland). Na haar studie Noorse taal- en letterkunde in Moskou emigreerde ze naar Nederland. Ze debuteerde in 2000 met de semi-autobiografische en veelbesproken roman Het kruis (Meulenhoff) over het leven in een Moskouse studentenflat, gevolgd door de novellenbundel Vanuit nergens met liefde. In 2006 kwam de doorbraak met het epische Didar en Faroek (Meulenhoff), gebaseerd op het leven van haar ouders tijdens het terreurbewind van Stalin, dat werd genomineerd voor de Libris Literatuur Prijs. Daarop volgden bij Prometheus de romans Honderd jaar gezelligheid en Kinderen van Brezjnev en de essaybundel Winterse buien, die werd bekroond met de Jan Hanlo Essayprijs 2017. Volgend jaar verschijnt haar nieuwe, historische roman Keizer tegen wil en dank. Werk van haar hand is vertaald in het Duits en Russisch.

Bekijk alle weblogs van Sana Valiulina