weblog

Reisblog #4: Lisa Thunnissen in Banff

Leven in een ansichtkaart

24 augustus 2018

Soms word je in buitenlanden plots geconfronteerd met aspecten van je Nederlanderschap die je niet eerder waren opgevallen. In Canada kwam ik erachter dat ik kennelijk nogal gehecht ben aan het vlakke landschap in ons kikkerlandje. Op uitnodiging van het Nederlands Letterenfonds en het Banff Centre verbleef ik drie weken in de Rocky Mountains, in het kader van het Banff International Literary Translation Centre.

De rafelige bergen met soms onder sneeuw bedolven toppen die ons daar omringden voelden op geen enkel moment als thuis. Er ging voor mij eerder een soort dreiging van uit, hoe prachtig ze ook waren. Misschien waren ze té mooi. In de eetzaal, de muren een en al raam, bleef ik maar wachten op de regisseur die plots het filmdoek zou optrekken zodat de wanden van de studio zichtbaar zouden worden. Net als in het dorpje Banff, een minuut of tien lopen bij ons vandaan: de Alpenhutachtige huizen in het hoekig ingedeelde centrum móesten op een gegeven moment wel plaatsmaken voor een ander decor. Maar in de drie weken dat ik er was, is dat moment niet gekomen.

Landschap Banff

Leven in een ansichtkaart heeft zo zijn voordelen. Als er even een stilte viel tijdens het eten, staarde ik naar de bergen en de dennenbomen en stelde ik me de beren voor die daar bessen verzamelden. Soms dwaalden mijn gedachten af naar niet zo heel verre verledens. De berghellingen en de vallei waren vroeger vooral van de eerste bewoners van Canada, die afwisselend worden aangeduid als ‘indigenous’, ‘First Nations’ of bijvoorbeeld ‘First Peoples’. Het woord indianen, dat we in Nederland nog weleens gebruiken zonder kwaad in de zin te hebben, heeft daar een negatieve connotatie of kan zelfs als scheldwoord worden gebruikt. Het Banff Centre ligt in een beschermd natuurgebied, maar toen Banff National Park zijn naam kreeg, werden de mensen die daar nog woonden uit hun leefgebied verdreven, ze mochten er niet meer doorheen trekken en jagen en verzamelen werd verboden. Tot ver in de jaren zeventig waren mensen van Stoney Nakoda-afkomst alleen welkom tijdens de Banff Indian Days, om toeristen te vermaken met dansen en andere kunstjes. Pas in 2010 werden ze weer officieel verwelkomd in het gebied.

Het Banff Centre besteedt veel aandacht aan deze geschiedenis. Elke mail die ik van de organisatoren kreeg, bevatte naast de naam en contactgegevens van de afzender een stukje tekst waarin werd genoemd dat het centrum zich bevindt op ‘Treaty 7 Territory’, en: ‘We acknowledge the past, present, and future generations of Stoney Nakoda, Blackfoot and Tsuut’ina Nations who help us steward this land, as well as honour and celebrate this place.’ De ‘Roundtable Sessions’, waarbij om de dag twee of drie vertalers over hun project vertelden, begonnen steevast ook met een dergelijke tekst, in het Engels, Spaans of Frans. In de eerste week liepen we met een paar First Nations mee door een klein stukje bos, een zogenaamde ‘Medicine Walk’, waarbij ons allerlei planten werden aangewezen en hun genezende en/of gevaarlijke eigenschappen werden opgenoemd (maar we mochten niet alles weten, sommige waren geheim). Het Banff Centre organiseert bovendien programma’s die specifiek gericht zijn op ‘Indigenous Arts’.

Deze bloem is een 'Indian paintbrush'

Toevallig (of niet) werkten twee van de andere vertalers daar aan vertalingen uit het Engels van werk van Eden Robinson, een Haisla, Heiltsuk schrijver, en Lee Maracle, schrijver en activist van Stó:lō afkomst. Eden Robinson vertelde tijdens een spontaan ingelaste avondbijeenkomst, waar een aantal vertalers en schrijvers eigen of andermens werk voorlazen, over al die verschillende namen die voor de oorspronkelijke bewoners van Canada werden gebruikt en wie het liefst welke term hanteerde. Toen Lee Maracle al die namen op het bord zag staan, op een avond in de week daarna, leek ze geërgerd of misschien zelfs boos, alsof ze ze het liefste allemaal uit zou vegen. Haar voorstel: ‘People of Turtle Island’. In een pauze voor vragen vertelde ze dat bij hen mensen een huis niet binnen mochten komen als ze niet rustig en vreedzaam waren, dat eerst altijd werd gevraagd: ‘Did you leave your quivers at the door?’ Ze vertelde hoe lastig het was om sommige ideeën, gedachten of verhalen in het Engels op te schrijven – wanneer zij in hun eigen taal praatten, waren er geen pauzes die punten rechtvaardigden, het verhaal stopte alleen als de spreker naar lucht moest happen. Eigenlijk wáren haar boeken al vertalingen, en die van Eden Robinson evengoed.

Het is ingewikkeld om het verhaal van een ander te vertellen zonder het je toe te eigenen, het te stelen. Eden Robinson vertelde dat ze voor veel van de verhalen in haar boek toestemming heeft moeten vragen aan de oudsten en dat ze sommige verhalen heeft moeten schrappen. Misschien had ik voor de vorige alinea ook toestemming moeten vragen, ben ik nu een verhalendief. In het boek van Eduardo Halfon, dat me de uitnodiging om in Banff verder te werken aan mijn vertaling bezorgde, vertelt de schrijver een verhaal over de inheemse bevolking van Guatemala, waar hijzelf niet toe behoort. Voor ik naar Canada vertrok, had ik tijdens het vertalen al een paar keer nagedacht over deze vraag, en in Banff dook hij weer in mijn hoofd op: hoe vertel je verhalen van, over anderen zonder ze te stelen? En vertalen – we hebben het er niet over gehad tijdens de Roundtable Sessions – is dat ook een vorm van toe-eigenen?

Tijdens de laatste Roundtable, in de allerlaatste presentatie, vertelde een Mexicaanse vertaler over de tekst waar zij aan werkte. Op 19 september 2017 was er in Mexico een aardbeving waarbij honderden slachtoffers vielen en talloze gebouwen instortten. Op precies diezelfde datum waren 32 jaar eerder, in 1985, duizenden mensen gestorven door een nog hevigere aardbeving in het land, die velen zich maar al te goed herinnerden. De vertaler had de muren van het gebouw tegenover het hare langzaam zien barsten, had in de dagen na de ramp fotoalbums en andere persoonlijke bezittingen afgevoerd zien worden in afvalbakken en vuilniswagens. Ze kon niet in haar huis blijven vanwege instortingsgevaar, en sliep wekenlang in een tijdelijke woning. Het enige boek dat ze bij zich had was van een Haïtiaanse schrijver, en ging over de aardbeving daar, in 2010. Dat boek vertaalde ze nu.

Als je vertaalt, vertel je altijd een verhaal van een ander. En toch is dat soms ook een verhaal over jezelf.

Links

Als je vertaalt, vertel je altijd een verhaal van een ander. En toch is dat soms ook een verhaal over jezelf.

Schrijver

Lisa Thunnissen

vertaalt uit het Spaans, met name auteurs uit Latijns-Amerika. Ze vertaalde werk van Eduardo Halfon, Juan Villoro (proza) en Alí Calderón, Sandra Santana en Raúl Zurita (poëzie) voor Tijdschrift Terras, Filter, tijdschrift over vertalen en het Poetry International Festival. In 2017 verscheen naast haar eerste boekvertaling De cowboykampioen van Aura Xilonen (genomineerd voor de Filter Vertaalprijs), de bloemlezing Twaalf verhalen en een Revolutie. La Isla de Cuba waarvoor ze drie verhalen vertaalde. Daarnaast is ze redacteur van tijdschrift PLUK. In Banff werkte ze aan twee boeken van Eduardo Halfon, die in 2019 zullen verschijnen bij Uitgeverij Wereldbibliotheek.

Bekijk alle weblogs van Lisa Thunnissen