weblog

over Dag der zielen van Mike McCormack

stream of translator-consciousness

8 juni 2018

In aanloop naar de bekendmaking van de shortlist van de Europese Literatuurprijs 2018 organiseerde Athenaeum Boekhandel drie ELP-leesclubs. Vertaler Robbert-Jan Henkes sloot de reeks af en hield voor een reeds enthousiast gehoor een bevlogen betoog over (de vertaling van) Dag der zielen van Mike McCormack, een roman uit één zin.

De opdracht was simpel, helder: vertaal één zin en één enkele zin, nou dat moest te doen zijn, een enkele zin met kop en staart, een mededeling of een emotioneel feit, een evocatie van voor de geest zwevende zelfstandigheden of een exposé van ergens of nergens toe leidende gedachten, door de onzichtbare hand van de auteur ontvouwen alsof het dat goedje is waar je water overheen giet en dan rijst er een Chinese draak uit op, vele tientallen en zelfs honderden malen volumineuzer dat het onooglijk hoopje poeder waaruit het zich onstuitbaar en als het ware voorbestemd tevoorschijn toverde zoals een beuk zich uit een beukennootje ontworstelt, even onontkoombaar voortgestuwd, een zin met een hoofdletter aan het begin en een verlossende punt aan het eind en daartussenin een te volgen redenering dan wel een levensverhaal, alleen besloeg deze ene zin het ganse tweehonderdvijfentwintig dichtbedrukte bladzijden tellende boek, een meanderende, dan weer kabbelende, dan weer voortrazende stroom van
      herinneringen, gedachten, overpeinzingen
      van een civiel ingenieur, wat we vroeger weg- en waterbouwkundige zouden noemen, aan een keukentafel in het westen van Ierland over zijn vrouw, zijn twee kinderen en zijn werk,
      in die volgorde, en hoe ‘het’ zo gekomen is, al weet je helemaal niets over ‘het’ als je in de stroom van gedachten stapt of er je kano in laat zakken op de wildwatertocht door de letterlijk en figuurlijk adembenemende uitgesponnen flits van herinnering en inzicht, want dat krijg je op een gegeven moment wel mee, dat de tijd waarin
      hij dit denkt
      dit gedacht wordt
      het zich denkt
evengoed eindeloos lang als eindeloos kort kan zijn en dat die vraag er niet meer toe doet en dat de flits van herinnering en inzicht gerust nog een x-aantal honderden pagina’s kan doorgaan, ja dat met deze uitgesponnen gedachten misschien slechts aan de oppervlakte gekrabd is van wat zich in een mensenhoofd en een mensenhart afspeelt
      in woorden gevat
      van de civiel ingenieur die zich enige akkefietjes herinnert met de bouw van een school, in passages die schitteren van realia, vertrouwen inboezemende concreta, want de schrijver laat ermee zien dat hij weet waarover hij het heeft, in dit geval over het feitelijke proces van betonstorten met wapening, schepborden, radonfolie en de controle van het beton met de kegel van Abrams, waarbij zich ongeregeldheden voordoen die de ingenieur niet in z’n kouwe kleren gaan zitten, maar dan zijn we al een heel eind gevorderd in de puntloze zin, die in zijn stroom zoals alleen stromen dat kunnen ook kan vertragen en versnellen, kolken en wielen en ook allerlei laaggelegen inhammen kan meenemen, uitweidingen die wel of niet terugkeren op het punt van vertrek maar altijd weer worden opgenomen in de grote brede stroom benedenwaarts,
      uitroepen, zijpaden, bespiegelingen
      maar ook letterlijk weergegeven gesprekken
      en daar doet zich de moeilijkheid voor dat waar in het Engels en in de Engelse woordvolgorde een uitgesproken opgeschreven zin zowel indirecte rede als directe rede kan zijn, in het Nederlands gekozen zal moeten worden, want als iemand zegt
      dat de twee ladingen beton niet dezelfde samenstelling hebben
      is dat wat anders dan wanneer iemand zegt
      de twee ladingen beton hebben niet dezelfde samenstelling
      althans in de doorlopende flow van dit boek, en waar in het oorspronkelijke Engels de illusie van de directe rede zonder dubbele punt of aanhalingstekens overeind gehouden kan worden door de gelijkluidende woordvolgorde, gaat in het Nederlands de stroom haperen, de adem stokken als er directe rede gebezigd wordt, want dan is het of het enige stijlmiddel dat de auteur of in dit geval de vertaler heeft toegepast het weglaten van de aanhalingstekens is, en zo zit dit boek niet in elkaar, aangezien het werkelijk één uitvloeiing, één ontboezeming is en niet simpelweg iets waaruit enige interpunctie is weggehaald, en dat is waarom in de vertaling de indirecte rede bij het weergeven van de gesprekken soms, in de enkele zinnen, niet in de langere dialoogpassages, heeft geprevaleerd boven de directe rede, opdat er niet gestopt wordt, opdat er niet gestaakt wordt, opdat het in één adem gedacht, gevoeld en gelezen wordt want als je stopt, dan hoor je de klokken, en als je de klokken hoort
      de Angelus-klokken
            aan de keukentafel
            in het westen van Ierland
            dan is de tijd verstreken en is het eind bereikt en is de punt gezet en is het – punt – uit, dan vervliegt de geest weer
      maar zover zijn we nog niet want er kan lang en breed gedelibereerd worden over het hoe en wat en waarom van deze dwingende gedachtenstroom, die geen stream of consciousness is, want die zijn meestal veel verbrokkelder en halen her en der allerlei toevallig of minder toevallig passerende flarden werkelijkheid binnen, terwijl deze gedachtenstroom aangenaam en hypnotiserend verhalend is in wat de schrijver een ‘stream of post-consciousness’ noemt, ongetwijfeld verwijzend naar de burgerlijke staat van de verteller, want die is dood, overleden, overgegaan naar een ander bestaansniveau, misschien het volgende level – en hoeveel levels er zijn en hoeveel levens je hebt en hoeveel bonuspunten je moet flipperen voor een extra bal, dat weet je allemaal niet, al zijn er theorieën in omloop dat je het sterven eigenlijk ook moet zien als een soort geboren worden, want de overgang van het amniotische baarmoederverblijf naar het licht moeten we indertijd allemaal hebben ervaren als een zeer ongewenste overgang, waarbij we niet anders konden denken dan ‘dit is het einde’, terwijl ons veel later is wijsgemaakt dat we het juist als het begin moesten zien van ons leven, en naar analogie daarvan kan dus ook het ons allen boven het hoofd hangende onvermijdelijk einde, onze dood, misschien best de poort naar een nieuw begin zijn waar we ons later niets meer van herinneren en niets meer van weten en
      in elk geval weet Marcus Conway er niets van, die bevindt zich nog in zalige onwetendheid,
      op en rond het middaguur
      in de keuken
      van zijn huis
      waar hij tegen een stoel opbotst die er niet hoorde te staan
      die onder tafel geschoven had moeten worden
      wie doet nu zoiets?
      wie is er zo slordig?
      denkt hij, het druist in tegen zijn ordelijke ingenieursgeest, het stuit hem tegen de zindelijk borst en
      hoe kán dit?
      denkt hij en dit –
            dit stoten
            dit stommelen in de keuken, zegt de schrijver er later over, was het eerste oorspronkelijke idee voor het boek, de eerste aanzet, verder wist hij nog niets, hij wist niet wie het was, wat hij deed en hoe het verhaal zich zou ontvouwen
      alleen dit beeld had hij
      iemand die aan het rommelen en stommelen was
      in de keuken van zijn huis
      alsof hij niet wist waar hij was
      en vandaaruit dacht de schrijver verder wie die persoon kan zijn en waarom hij aan het rondtasten was midden op de dag, moest hij soms niet werken, en allengs kwam hij erachter dat die figuur tegen het meubilair botste omdat hij dood was, een spook, een geest, een overleden entiteit, een heengegane verscheidene die is teruggekomen op de ene dag dat dat kan in Ierland, de dag van Allerzielen – en vandaar de Nederlandse titel want de Engelse was volgens de uitgever hoe mooi die ook was niet geheel adequaat en wervend (vermoed ik) en inderdaad tamelijk raadselachtig
      solar bones
      want wat zijn dat, solar bones, zonnebotten, een solair geraamte, een skelet of beendergestel van de zon
      kun je je afvragen
      moet je je afvragen
            of niet
            dat mag ook
      gewoon beginnen met het boek en dan kom je het wel tegen, en jawel op bladzijde 76 van de Engelse editie en 91 van de Nederlandse mijmert de civiel ingenieur Marcus over de dagelijkse
            riten, ritmes en rituelen
      die de wereld overeind houden als solar bones, een zonneskelet, een zonnegeraamte waar dan weer in de abjecte nieuwe spelling zonnenskelet of zonnengeraamte gemaakt van zou moeten worden waardoor het woord nog onooglijker wordt, en met dat zonnegeraamte, dat zonneframe bedoelt de verteller dat ijle amalgaan van tijd en licht waarvan de extensies door elk moment van de dag zichtbaar zijn, vanaf het ogenblik dat hij ’s morgens opstaat en voor het keukenraam staat met een kop thee in zijn hand en de eerste auto’s van de dag voorbij ziet rijden, en hij kent ze stuk voor stuk –
      waarna onze Marcus de namen en kentekenplaten van de auto’s die hij ziet langsrijden opsomt, zijn omringende en in zijn
      riten, ritmes en rituelen
      geruststellende werkelijkheid en verder denkt aan hoe belangrijk ze zijn om het etmaal in onderscheidelijke en zich herhalende partjes of momenten opdeelt, waaraan men zich kan vastklampen in de maalstroom van de chaos die ons verder omringt, de grote boze buitenwereld waarvan we alleen kreten vol tegenspoed en ellende, wanhoop en rampen te horen krijgen, de rituelen of misschien liever gezegd de gewoontes (want laten we het toch niet mooier maken dan het is, wat nou rituelen, gewoon ingesleten hebbelijkheidjes, die desondanks houvast geven) die iedereen heeft en waarmee we de dag verdelen zodat niet alles elke keer weer als nieuw en overrompelend overdonderend hoeft te zijn, met name
      het moment van naar het werk gaan
      het weer thuiskomen
      het komen, het zijn, het gaan
      en, als leidmotief in dit boek, het nieuws van één uur
      waar Marcus’ vader al zijn dag op indeelde en al het werk voor opzij zette, als geheiligd moment van de dag
      en in dit boek dan het andere geheiligde moment van die andere klok, de kerkelijke tegenhanger van de profane bliepjes van het radiojournaal,
      de klok van het Angelus
      die om zes uur ’s ochtends, om twaalf uur en om zes uur ’s avonds werd geluid om de mensen het katholieke volksdeel (dat wil zeggen alle mensen) op te roepen tot het bidden van de Engel des Heren, het aanhoudende getingeltangel van het Angelus – waarbij Wikipedia aantekent dat de naam van de angelusklok niet verward dient te worden met de zogenaamd ‘papklok’, want die klok luidde ’s avonds om 9 uur, aangezien mensen toen pap aten voor het slapen gaan, wat werd ingeluid door de papklok – terwijl hier de Angelusklok fungeert als tweede ophangpunt naast het eerste dat bestaat uit het herkenningsgeluidje van het wereld-, landelijke en lokale nieuws, waar de vader van Marcus dagelijks zijn riek voor opborg en waarvoor hij zijn uit elkaar gehaalde tractor die zo’n belangrijke rol speelt in de geestelijke ontwikkeling van zijn zoon in de schuur laat, net als Marcus later zijn werk ervoor opzij zet en zijn papieren en paperassen, zijn blauwdrukken en te controleren bouwvergunningen op het gemeentekantoor waar hij verantwoordelijk is voor de juiste tenuitvoerlegging van de uitbestede openbare werken zoals daar zijn wegen, scholen, pleinen en nutsvoorzieningen die zich buiten het zicht afspelen in de vorm van waterleidingen en elektriciteitsdraden – het hele netwerk dat onze beschaving ophoudt en mogelijk maakt en dat door ingenieurs is gemaakt, die ongezongen helden der mensheid aan wie dit boek een hyme is, een ode, want hoeveel boeken zijn er feitelijk met een ingenieur als hoofdpersoon, en hoeveel met een moordenaar als hoofdpersoon – en hoeveel ingenieurs ken je eigenlijk en hoeveel moordenaars? – terwijl, zoals McCormack terecht opmerkt, al heeft hij het ook maar ergens gelezen, Shakespeare de wereld dan wel beschreven heeft, maar Brunel hem heeft gemaakt
      Isambard Kingdom Brunel
      de legendarische negentiende-eeuwse bouwer van bruggen, scheepswerven, tunnels, stoomschepen en spoorwegen tijdens de Industriële Revolutie in Engeland – op zijn iconische foto staat hij met zijn hoge hoed op zijn hoofd trots, moe en bestoft bij de kettingen waarmee zijn zoveelste herculesdaad de SS Great Easter te water zal worden gelaten – en
      tussen die twee klokken
      de heilige en de profane
      het klingelen van de een en het tingelen van de ander
      de bliepjes en het beieren
      is het leven van de hoofdpersoon gespannen, dat zijn de kernmomenten, de wasknijpers van de dag, dat zijn de solar bones van het bestaan van de mens, deze mens Marcus Conway die niet een Iedereen is maar een Iemand, geen superheld maar een eerlijke poger en trachter met alle fouten en vergissingen en kortzichtigheden die een mens nu eenmaal aankleven maar intussen wel
      een heel iemand
      een compleet iemand
      een normaal veelzijdig iemand die we in al zijn facetten leren kennen
      zoals Odysseus de meest complete held was uit de literatuur volgens James Joyce omdat hij vader, zoon, echtgenoot en minnaar was, dapper en listig en we hem van alle kanten te zien kregen, zo krijgen wij deze held, of antiheld – maar wat is het verschil nietwaar, misschien is een antiheld nog wel een grotere held dan een klassieke held –
      Marcus Conway, te zien als familiemens (in dat allerzeldzaamste fictionele fenomeen zoals de schrijver zegt, een gelukkig gezin), als echtgenoot, als vader, als zoon, als burger, als gewetensvol maar weinig diplomatiek gemeenteambtenaar belast met openbare bouwprojecten die gemangeld wordt door de tegenstrijdige belangen van de politieke wenselijkheden, de bouwkundige regels en voorschriften en de commerciële belangen, waarbij altijd geschipperd wordt, hoezeer hij zich er ook tegen verzet, wat uiteindelijk zijn ontijdige einde zal betekenen
      op een parkeerhaven langs een vluchtstrook op weg naar huis tussen de onmetelijke Atlantische oceean en de imponerende berg de Croagh Patrick als de pijn die hij lang voor oprispend maagzuur hield toch zijn hart blijkt te zijn
      zijn kloppende hart
      zijn levende hart
      zijn hart dat we hebben zien uitgaan naar zijn door voedselvergiftiging gevelde vrouw, zijn kunstzinnige dochter, zijn zoon die in Australië rondtrekt, naar de laatste dagen van zijn dementerende vader – en tussen dat alles door naar zijn werk en
      daarom mag hij niet ophouden
      aan de keukentafel
      van zijn huis
      op de stoel gezeten die eigenlijk onder de tafel geschoven had horen te zijn
      en die tot zijn ergernis ergens anders stond, niet ophouden
      mag hij in zijn post-bewustzijnsstroom
      want dood ga je maar één keer en een geest moet doorgaan, als die stokt en stilvalt verdwijnt hij weer en vervliegt hij weer en keert terug naar het woordeloze schimmenrijk en daarom
      is het één lange zin die we te lezen krijgen want ook wij mogen niet stoppen maar moeten gehypnotiseerd blijven lezen tot onze laatste adem en daar kwam bij, liet de schrijver zich ontvallen in een moment van openhartigheid bij wijze van blik in de gaarkeuken van het schrijven, dat hij op deze manier niet hoefde te denken aan het schrijven van een al dan niet lijvige roman met alle verwachtingen van dien dat het dan wel op een echte roman moet lijken, maar het gewoon kon laten bij het schrijven van één zin, wat hem een pak van zijn hart en een last van zijn schouders was, en daarbij daarbij kwam dat deze manier van vertellen zich ook uitstekend leende om alles wat doorgaans in romans langs de randen valt, de onzekerheden, twijfels, losse draadjes, filosofische abstracties en dingen die maar zijdelings met de voortgang te maken hebben – of zelfs helemaal niet – of het verhaal zelfs alleen maar achteruit helpen in plaats van vooruit – nu ook meegenomen konden worden om toch tot een iets omvattender beeld van het dagelijkse leven te komen waarin wij allemaal worstelen om weer boven te komen voor lucht om weer naar beneden te worden gezogen in de meedogenloze voortgang van de tijd die we moeten meemaken terwijl die verloopt en niet achteraf voorgeschoteld krijgen als in een biografie waarin er plotseling richting en doel en lijn in het dagelijkse gemodder gevonden kan worden waar die er op het moment zelf hoegenaamd niet is, in geen velden of wegen, nergens, op het daadwerkelijk meegemaakte moment waarop we steeds maar weer beslissingen moeten nemen, op niks af, teneinde dat eeuwigdurend steeds maar aan ons trekkend moment te vangen op schrift in plaats van het achteraf overwogen of het vooraf bedachte moment, zoals in de meeste of misschien wel alle romans die niet voelen als het zoekende en in het donker rondtastende leven maar als een patroon dat de schrijver er achteraf op heeft gedrukt maar je moet toch ergens een idee hebben als je begint te schrijven nietwaar al is het idee maar
      een enkel beeld
      van een man die rondstommelt in de keuken
      en toen de schrijver eenmaal met hem had kennisgemaakt en met hem in gesprek was geraakt, bleek het een karakter te zijn met wie hij graag vertoefde, het was geen kwaaie peer, Marcus, goed gezelschap bij het schrijven van deze postmortem-aria, zegt McCormack, die verder geen enkele herinnering aan het eigenlijke schrijfproces heeft omdat hij op de dag na de nacht dat hij het bestand na vijf jaar schrijven verstuurde vader werd van zijn eersteling, een gebeurtenis die alle herinneringen aan wat er daarvoor gebeurde uitwiste met een streek van de ruitenwisser en hij alleen de stem nog overhad,
      de stem op papier,
      de stem van een ingenieur,
      de stem uit Mayo,
      de stem van een eenvoudige ingenieur uit het graafschap Mayo in het westen van Ierland
      in het stadje Louisburg
      waar McCormack gedeeltelijk opgroeide bij zijn grootouders terwijl zijn ouders hun kostje verdienden in het verre grote perfide Londen en
      waarnaar hij later is teruggekeerd om er te wonen en te werken en te trouwen en kinderen te krijgen
      heel normaal
      zoals dit ook een heel normaal boek is dat zich kan meten met andere heel normale boeken zoals daar zijn Ulysses, The Unnamable en At Swim Two Birds van respectievelijk James Joyce, Samuel Beckett en Flann O’Brien, waarbij aangetekend moet worden dat normaal helaas buitengewoon abnormaal is, want Heb je wel eens een normaal iemand ontmoet en hoe was dat? vroeg niet voor niets de spiegelposter ons veertig jaar geleden al, en natuurlijk is dat woord eerder verwarrend dan verhelderend, dus misschien moeten we ook maar helemaal vergeten wat ik net gezegd heb daarover, ja, ik heb niets gezegd en ik heb het woord ‘normaal’ niet in de mond genomen, dat moet een misverstand tussen de oren zijn geweest, maar intussen zijn Joyce, Beckett en Flann O’Brien wel
      in de woorden van Mike McCormack
      de ‘Mount Rushmore’ van de Ierse letteren en voor hem de Vader, de Zoon en de Helige Geest, die alle drie hun best hebben gedaan om de heersende vertelvorm te doorbreken, ze hebben gëxperimenteerd, ze hebben gedurfd, ze zijn gul geweest en roekeloos, en, zegt McCormack en ik ga citeren, als je het niet over die schrijvers hebt, kijk je omlaag in plaats van omhoog, want die drie grootheden zijn geen verlokkende en belemmerende voorbeelden maar integendeel verrijkend en inspirerend, niet om na te doen maar om je aan op te trekken teneinde de gebaande paden van het romanschrijven te verlaten, en precies dat is hier ook aan de hand want de vorm die McCormack gekozen heeft
      de vorm die McCormack kiest
      de vorm die als schrijver McCormack kiest
      met McCormack als lijdend voorwerp en de vorm als kiezende instantie
      want kan het eigenlijk wel anders,
      niet alleen vertalers zijn doorgeefluiken en postpaarden van de beschaving (dat laatste is van Poesjkin)
      maar schrijvers worden ook maar ingeseind door een hogere instantie en moeten doen wat de materie en de geest van ze verlangen, opschrijven wat ze doorkrijgen,
      die kiezende vorm, die postbewustzijnsstroom van McCormack stelt hem in staat om allerlei onderbelichte maar alomtegenwoordige en wezenlijke menselijkheden te beschrijven en een stem te geven, zoals hier een hoofdpersoon opvoeren als vader van twee kinderen die niet als vaak in Ierse romans nors, gemelijk, stuurs en stilzwijgend is maar heel natuurlijk en praatgraag met hedendaagse alom gedeelde zorgen en dilemma’s als daar zijn het intieme huiselijke samenlevingsverband, het milieu, de omgang met mensen, de crisis, en in het algemeen hoe zich te gedragen in deze wereld en wat te doen met alle kleine dagelijkse en zich opstapelende prikkeligheden waaruit een mensenleven nu eenmaal voor een groot deel bestaat en
      met een opvliegend karakter
      en een hartkwaal,
      geen buitenstaander is of dwaalgast, geen vreemde vogel of verschoppeling maar een mens van vlees en bloed (al is het papier en inkt) die compleet betrokken is in en bij de wereld (zoals McCormack het zegt), er met zijn beide voeten instaat, in het kaf van het dagelijks leven en die hem daarom steeds maar weer naar zijn schrijftafel dwong om verder aan zijn geschiedenis te schrijven met als achtergrondmuziek geen Scandinavische death metal zoals bij zijn eerdere boeken maar de oudere en wijzere milde levensverhalen van countrybroeder Hank Williams en
      vandaar ook de uitgebreide en gedetailleerde en nergens een moment vervelende beschrijving van wat toch wel als het omslagpunt in het boek mag worden gekenmerkt en Marcus zijn uiteindelijke hartverzakking misschien niet bezorgt maar dan toch zeker wel een eindje dichterbij brengt, het moment dat hij aanwezig is bij het storten van het beton voor een nieuwe basisschool die de oude basisscholen voor drie omliggende gehuchten moet vervangen en waarvan hij erachter komt dat het beton afkomstig is van twee leveranciers, die natuurlijk nooit de samenstelling op elkaar hebben afgestemd, wat funest is op termijn voor de stevigheid van die fundamenten zoals we ook te horen krijgen op bladzijde 215 van de vertaling (177 in het Engels) maar de passage begint feitelijk al op bladzijde 207 (171)
      en dan kunnen we het ook meteen over het vertalen hebben want waarom het nog niet zo simpel is en best lastig, is dat het Nederlands minder gelegenheid geeft tot rijgen dan het Engels met zijn eindeloze onvoltooide deelwoorden en je toch voortdurend terug moet naar hoe (of waar) de zin of gedachte begon om het lopend te houden, en het verband en de context te behouden
      terwijl je ook de hele tijd onderbroken wordt om te moeten opzoeken hoe dat precies in zijn werk gaat, dat betonstorten en het bepalen van de structuur van het mengsel, wat blijkt te gaan met de kegel van Abrams in drie stappen – maar dan heb je ook nog de spreidmaat of schudmaat die je meet als je de tafel waar de betonkegel op staat tot een gestandaardiseerde hoogte iets optilt en weer laat vallen waardoor de ingezakte betonkegel nog verder inzakt en de diameter van de voet van de ingezakte betonkegel een ander kengetal oplevert voor de plasticiteit van beton, namelijk precies die voornoemde schudmaat of spreidmaat, inclusief alle technische jargon dat met het eerlijke werkmanswerk gepaard gaat, de bekisting, bewapening, het spankoord, de trilplank, de reilatten enzovoort, allemaal buitengewoon interessant maar het haalt je wel weer uit de vertaalflow van de eindeloze taalflow dus dan wordt het gewoon weer lezen en overlezen en overoverlezen voor, tijdens en na het vertalen om te kijken hoe je aankomt en waar je gebleven was en of de episode nog wel soepel en lenig loopt zoals hij dat in het origineel ook doet,
      waarbij komt dat allerlei zinsdelen in de Engelse syntax zich op andere plekken bevinden dan in de Nederlandse, tijd- en plaatsbepalingen worden als ze natuurlijk gebruikt worden ergens anders in de zin geplaatst en allerlei voorzetselbepalingen ook, en dat is hier helemaal een probleem omdat de verteller de neiging heeft op zijn laatste woorden door te gaan en die laatste woorden staan dan in het Engels wel op het laatst maar in het Nederlands moeten ze wat eerder in de zin komen, vandaar gevaar voor fataal geaarzel, en McCormack heeft er vijf jaar aan gewerkt naar eigen zeggen en hoewel je dan ook veel fout kan doen en vernielen, kan je er ook met bijvijlen en bijslijpen (en het boek terugbrengen van negenhonderd bladzijden naar 250) voor zorgen dat er nergens in de leeservaring gehaperd en gestokt wordt, kortom ik moest steeds maar teruglezen om te zorgen dat de stem
      die stem die we gehoord hebben
      die stem aan de keukentafel
      maar ook die stem die voorlas
      getrouw en even onontkoombaar werd overgebracht
      zodat hij wordt wat hij is
      anders maar hetzelfde
      van iets iets identieks gemaakt
      en of dat geslaagd is is aan iedereen individueel om te beoordelen want ook de vertaler wijkt als een geest uit het boek als het eenmaal naar de drukker is gegaan en er alleen nog hier en daar een letter verbeterd zal kunnen worden in het over het algemeen steeds zeldzamer wordende geval dat er een tweede druk van komt en daarom
      om die reden
      moet er ook een einde komen aan deze in- of uitleidende woorden, waaruit misschien alleen maar blijkt hoe aanstekelijk de stijl is van dit feitelijk heel natuurlijke en ontroerende en menselijke boek

De vertaler

Mike McCormack leest voor uit Solar Bones.

Links

Schrijver

Robbert-Jan Henkes

Robbert-Jan Henkes (1962) is publicist en vertaler. Samen met Erik Bindervoet vertaalde hij werk van onder meer James Joyce, Shakespeare, The Beatles en Bob Dylan. Zijn vertaling van Russische kindergedichten, Bij mij op de maan werd bekroond met de Filter Vertaalprijs 2017 en de Aleida Schotprijs 2018. Met Dag der zielen van Mike McCormack (Lebowski) is hij genomineerd voor de longlist van de Europese Literatuurprijs 2018.

Bekijk alle weblogs van Robbert-Jan Henkes