weblog

Canon Kletz @ Poetry

19 mei 2018

Vier dichters die op haast elke denkbare wijze van elkaar verschilden gingen op woensdagavond 25 april in het MONO in Rotterdam, op zoek naar een nieuwe canon van de internationale poëzie. Onder leiding van radioman, programmamaker, acteur en presentator Francis Broekhuijsen ontstond op deze Poetry-happening een vurig gesprek tussen de dichters en het publiek. Startpunt van het debat was de steeds luider klinkende kritiek op de huidige canon van de Nederlandstalige literatuur, die teveel zou steunen op het werk van De Witte Man. Dichters en lezers die zich niet in die canon herkennen zoeken hun literaire inspiratie over de grens; en daarmee dient zich meteen de vraag aan waar te zoeken en bij welke auteur te beginnen? Aan het gevarieerde panel - twee mannen en twee vrouwen, van verschillende achtergronden - de eer een pleidooi te houden voor een buitenlandse dichter die geïntroduceerd zou moeten worden bij de Nederlandse lezer.

De vorming van een canon van Nederlandse literatuur is een ambitieus project, laat staan de vorming van een canon van internationale poëzie. In de trein, onderweg van het Letterenhuis in Amsterdam naar MONO in Rotterdam, vraag ik me af over welke canon we het gaan hebben? En: met welke canon ben ik zelf eigenlijk opgegroeid? Als ik nadenk over hoe ik zelf naar de canon van Nederlandstalige literatuur kijk, of naar de canon van internationale literatuur, moet ik eigenlijk vooral concluderen dat dit een behoorlijk veranderlijk en daardoor vaag concept is. Tijdens de middelbare school leken de canons van Nederlandstalige en internationale literatuur zich te verenigen in De Leeslijst: een lijst met boeken waarvan een onbekende hogere macht bepaald had dat ze gelezen moesten worden. Op hoofdlijnen leek deze lijst inderdaad de basis te vormen voor de literatuur die ik in mijn eerste jaar van de bachelor Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht las. Toen ik me later specialiseerde in ‘wereldliteratuur’ realiseerde ik me pas wat er allemaal buiten viel. Niet langer las ik enkel boeken van overleden, blanke, rijke Europese mannen, maar juist het tegenovergestelde: gekleurde vrouwen, levend en wel in het Caribisch gebied of in Azië. Nog obscuurder werd het hele project van canonisering van de literatuur toen ik hoorde dat er op de opleiding Literatuurwetenschap aan de Universiteit van Amsterdam andere boeken gelezen werden en andere specialisaties gekozen konden worden. De gedachte dat mijn idee van ‘de canon’ sterk samenhangt met de studiekeuzes die ik gemaakt heb, was zo verwarrend dat ik bij het uitstappen, het denken over De Canon even van me af heb gezet. Met enige spanning in mijn lichaam stap ik uiteindelijk MONO binnen, benieuwd of de dichters wellicht andere ideeën hebben over canonisering.

De eerste voordracht komt van Simone Atangana Bekono (1991), na de opleiding Creative Writing van ArtEZ volgde ze het Slow Writing Lab van het Letterenfonds en de kunstopleidingen, nu schrijft ze proza en poëzie. Zij introduceert de Chicana dichteres Gloria Anzaldúa (1942-2004), en vertelt dat ze blij is dat ze haar werk nog niet kende voordat ze hoe de eerste vonken zichtbaar waren (2017) schreef – dan zou ze namelijk nooit het gevoel gehad hebben dat ze iets unieks maakte. Inclusiviteit en intersectionaliteit zijn sleutelwoorden in beider poëtica’s: net als Atangana Bekono’s debuut is het invloedrijke Borderlands / La Frontera (1987) van Anzaldúa politiek van inhoud en hybride van vorm – tekenend voor de unieke blik waarmee ze haar binnenwereld als mestizaje in een buitenwereld van grensgebieden en conflicten beschrijft. Om de schadelijkheid van standaarden te doorbreken, zo stelt Atangana Bekono, is een interdisciplinaire visie op poëzie van groot belang. Moderne vormen van dichten, zoals rap, doen precies dat wat volgens Bekono altijd de belangrijkste rol van poëzie is geweest: het vangen van de tijdsgeest. Zoals een absolute canon niet bestaat, bestaat volgens haar ook de absolute zwarte mens niet. De vraag van moderator Francis Broekhuijsen of De Witte Man dan ook niet bestaat leverde hoe dan ook stof tot nadenken op.

Dichter en essayist Frank Keizer (1987), samen met Maarten van der Graaff medeoprichter van het online tijdschrift Samplekanon en als dichter vertaald in het Engels, Duits, Frans en Portugees, beklimt als tweede het spreekgestoelte. Hij start met de vraag wat voor canon we zoeken: een egalitaire canon waarin iedereen naast elkaar staat of een canon waar juist niet iedereen in op kan gaan? Een belangrijk punt voor Keizer, omdat canonisering niet inclusief maar altijd exclusief is – een gewelddadige ingreep, een machtsstructuur. ‘Zijn’ dichter is er dan ook een die expliciet tegen canonisering is - een geboren provocateur en een belangrijke hedendaagse Mexicaanse schrijver: Heriberto Yépez. De naam dient sinds kort doorgehaald te worden, want zijn “schrijfproject is klaar, zijn oeuvre voltooid”. Met zijn gedichten stelt hij vragen over de poëzie van een transnationale wereld. Yépez is postnationaal: geboren in Mexico, dichtend in het Engels – de taal van de ‘overheersers’, maar vooral de taal waarmee hij de eerste wereld aan kan spreken om de problemen van zijn wereld aan de kaak te stellen. Meertaligheid is één van de vele double binds die de polemische poëtica van Yépez karakteriseert. Hij is een voorman van de generatie van transnationale schrijvers die zich net als hij bezighoudt met kwesties rond de grenscultuur tussen Mexico en de Verenigde Staten en die vraagtekens plaatst bij begrippen als fluïditeit en synthese. Bovenal is antidichter Yépez voorvechter van radicaal geheugenverlies om met een schone lei verder te kunnen.

Dan de nominatie van schrijver, performer, theatermaker en Grande Dame van de Nederlandse spoken word: Babs Gons. Haar dynamische dichtstijl is het resultaat van een jeugd als biebkindje met een klassieke literaire basis enerzijds en een vrije (creatieve) opvoeding met invloeden uit allerlei windrichtingen anderzijds. Ze kon uit vele dichters kiezen, van wie ze er meerdere als moederfiguur heeft ervaren tijdens haar culturele opvoeding. Ze kwamen op haar pad door wat ze het Toni Morrison-sneeuwbaleffect noemt. Onder hen de veelzijdige Afro-Amerikaanse dichter en performer Sonia Sanchez (1934). Zij combineert haar dichterschap, aldus Gons, met activisme zonder enige stijlbeperking, steeds de beste vorm voor elke situatie vindend. Op het podium weet ze met haar dichtkunst altijd de tijdgeest te vatten, met veel performance – zoals we ook te zien krijgen op het grote diascherm. Ritmisch als een drumbeat en met veel herhaling, herhaling, herhaling. Op papier hanteert ze tijdlozere stijlen; zo schreef ze onder andere veel haiku’s. Hoe dan ook is Sonia Sanchez een grote inspiratiebron voor Babs Gons en invloedrijk op de internationale poëzie door de wijze waarop ze het slavernijverleden van de Afro-Amerikaanse gemeenschap een plek heeft gegeven binnen de Amerikaanse literatuur. Samen met Francis Broekhuijsen sluit Gons haar voordracht af met een brainstorm over de vorm van de canon van internationale poëzie: kunnen soundbites en YouTube-video’s daar ook in opgenomen worden?

De laatste dichter die aan het debat bijdraagt is de Vlaming Tom Van de Voorde (1974). Zijn visie op de canon wijkt af van zijn voorgangers – althans, waar zijn voorgangers trachtten het idee van de canon te herzien, stelt Van de Voorde vragen bij de definitie van het concept an sich. De canon zoals we die kennen is volgens hem het product van een old boys’ network – een canon als historisch lijstje, waar de markt tegenwoordig een (te) belangrijke rol in speelt en waarin de grens tussen belangrijk en succesvol steeds vager wordt. Zijn idee van canonisering is juist persoonlijk en dynamisch; een lijst weliswaar, maar een lijst waarin verandering elk moment mogelijk is. Voor Van de Voorde is vooral het debat over de canon belangrijk: de constante zoektocht naar manieren om niet alleen het verleden, maar ook het heden en vooral de toekomst te representeren. Het is dezelfde avantgardistische blik waarmee ook Keizers Yépez naar canonisering kijkt – eerst vernietigen, dan vernieuwen. Om dan toch elementen in poëzie te benoemen die hij intrinsiek belangrijk acht, noemt hij persoonsvorming, gemeenschapsvorming en natievorming. Het zijn deze elementen die de dichter die hij aandraagt, de Palestijnse Taha Muhammad Ali (1931-2011), verenigt in het gedicht Wraak – een gedicht dat volgens hem het antwoord bevat voor elk persoon en elke natie die in oorlog leeft; een grondwet in verzen voor een wereld in vrede.

In het afsluitend panelgesprek werd doorgesproken over het belang van activisme en veelzijdigheid, over tradities en klassiekers, over transnationalisme, transracialisme en kleur bekennen en vooral over hybride mengvormen. Met name Atangana Bekono en Gons waren het eens over het feit dat ook ‘nieuwe’ vormen van poëzie een plek zouden moeten krijgen in een alternatieve canon. Tom Van de Voorde daarentegen vroeg zich af of er überhaupt behoefte is aan een internationale canon, wat volgens hem het risico in zich hield een canon van eenheidsworst te worden – iets wat hij de starbuckisering van de poëzie noemde. Hier sloot Frank Keizer zich bij aan; volgens hem is het historische project van de canon – net als het project Yépez – klaar, maar blijft het gevaarlijk om te hopen dat de canon ooit egalitair wordt. Een canon waarin iedereen gelijk is gaat namelijk voorbij aan de noodzakelijke ongelijkheden die bestaan tussen de verschillende literaire uitingen uit alle uithoeken van de wereld, aldus Keizer. Hij pleit daarom voor nieuwe vormen van politiek denken waarin een alternatieve canon kan ontstaan. Volgens hem is er nu vooral behoefte aan een nieuwe anthologie van internationale poëzie (Gons vraagt zich af wie dat dan samen moet stellen en ik vraag me af of dat dan ook een vorm van canonisering is). Opvallend moment in het gesprek ontstond toen Babs Gons en Tom Van de Voorde dieper ingingen op de overwegingen achter hun keuzes. Waar Gons aangaf dat ze het gevoel had kleur te moeten bekennen door te kiezen voor een gekleurde, vrouwelijke dichter, gaf Van de Voorde juist te kennen dat hij het gevoel had niet zomaar bijvoorbeeld een queer dichter aan te kunnen dragen – dat hij bij uitstek níet de aangewezen persoon was om zich zo actief in dit debat te roeren. Een interessante tegenstelling, die misschien wel symbool staat voor het hedendaagse gesprek over diversiteit binnen – en buiten – de kunsten. De afsluitende woorden van Francis Broekhuijsen scheppen in elk geval hoop: we gaan het doen en breken het af, of we doen het niet – maar we houden het open. 

Poetry logo Van 29 mei tot en met 3 juni vindt het Poetry International Festival plaats in Rotterdam, met als thema Meet between the lines. Van de tijdens Canon Kletz geïntroduceerde dichters is (vooralsnog) alleen Taha Muhammad Ali opgenomen in het Poetry International Web.

Schrijver

Raoul Markaban

Raoul Markaban (1991) is stagiair communicatie bij het Nederlands Letterenfonds. Hij studeerde Literatuurwetenschap aan de Universiteit Utrecht, waar hij momenteel de master Literature Today afrondt. Voor zijn masterscriptie doet hij onderzoek naar autobiografische elementen in hiphopteksten. In het verleden schreef hij over muziek, onder andere voor 3voor12.

Bekijk alle weblogs van Raoul Markaban