weblog

De schrijver: vreemde vogel?

25 januari 2018

Schrijver Atte Jongstra werkte zes maanden als writer in residence aan het Netherlands Institute for Advanced Study in the Humanities and Social Sciences (NIAS). Eind januari zwaait hij af. Een terugblik in de vorm van voetnoten bij de geschiedenis van de uil, van het NIAS, en van het schrijversleven van Atte Jongstra.

Dertig jaar lang verrichtte ik vrije arbeid in de wijngaard des Heren. Dat wil zeggen: thuis, alleen. Om negen uur begeef ik mij gewoonlijk naar ‘kantoor’ voor ‘Zitting Nummer 1’ zoals Lodewijk van Deyssel het zou noemen. Mijn broodtrommeltje staat dan al gevuld op het aanrecht klaar, naast een thermoskan vol koffie. Ik neem plaats − aan de arbeid. Heel prozaïsch, ook als ik dichtwerk onder handen heb.

Een man aan een bureau. Als iemand mij zou filmen, is er niets wat aan literatuur refereert. In een confectiepak zou ik ook de boekhouder kunnen belichamen, of een conrector die een rooster voor het nieuwe schooljaar fabriceert. Het komt voor dat er telefoon is, dan neem ik op. Mails komen binnen, nu en dan check ik zaakcontacten via Facebook-chat. Soms belt de krant, of ik een bio- of historiewerk wil bespreken. Het beeld verandert daarmee niet. Ik zit stil, en lees of schrijf.

Vijf september 2017 aangebroken. Eerste dag van een half jaar op het NIAS. Dagelijks naar de zaak: Korte Spinhuissteeg 3, nabij de Damstraat, Amsterdam. Er is mij een strak kantoortje toegemeten. Wit, alles wit: bureau, de lege IKEA-Billy wit, groot viltstiftbord – ook wit. Na enige formaliteiten krijg ik de sleutel. Deur open, ik neem plaats. Zet computer aan, open Word en typ ‘Zitting nummer 1.’ Er wil mij even niets te binnen schieten. Ook ik ben wit.

Ik kijk naar de muur, en denk aan de wanden in mijn Osdorp-kantoor, met scheve schilderijtjes volgehangen, en een uit hout gesneden Don Quichote die naar ’t plafond te koekeloeren staat, omringd door een steendruk met wat vee in halfslaap, jaren vijftig treinstel stilstaand op een dommelend stationnetje, zeilschip op een helling die op tewaterlating wacht. Niet veel zicht op actie, daar moet ik zelf voor zorgen. En ik ben er dus niet, want zit nu op een heus kantoor. Alwaar vooralsnog geen noemenswaardige bedrijvigheid.

Beetje landerig zo’n eerste dag. Maar even kranten checken dan. Ochtendupdate van De Standaard geopend. Lees een artikel over een Waalse vrouw van eenenzestig, die aan werkeloosheid lijdt. Ze liep in 2000 een leidinggevende bibliotheekfunctie mis en werd daarop weggepromoveerd naar de centrale bieb in Namen. Daar kreeg ze geen concrete taakomschrijving, ze was in feite overbodig. ‘In mijn functie van ambtenaar voer ik geen klap uit.’

In de functie van kantoorman geen klap uitvoeren, dat is ondraaglijk lijden. Gelukkig heb ik wel een taakomschrijving, heel concreet. Mijzelve toebedeeld: het afronden van mijn essayboek De ontgroende mens. Stukken over hoe de homo hyper erectus (denk aan natuurvijandige torenbouwers als Trump) van zijn lengte moet afdoen, en zich als het ware gehurkt opnieuw moet schikken in het ecosysteem, waarin de mens millennia geleden recht overeind ging staan. Dit is één samenvatting van ’t project, waarvoor het Letterenfonds mij naar het NIAS zond. Er zijn er meer. De bevruchtingsfunctie. De fellows op het NIAS zullen elkaar moeten inspireren. Bijvoorbeeld door te vertellen over wat ze onder handen hebben. Eerst in vijf, dan in tien minuten, vervolgens een half uur.

Het is niet altijd simpel mijn literaire werken in één regel te begrijpen, ook in dertig minuten blijft het vaak opaak. Ik schrijf alvast wat op, die eerste ochtend op kantoor: ‘Ik probeer mijn lezers in een sfeer te brengen waarin ze zelf gaan fantaseren en gaan doen. Denk aan een wolk.’ Mijn proza heeft de neiging zeer diverse vormen aan te nemen, van een blauwe lucht met stille witte watten tot hevig jagend zwerk. Wolk en wetenschap, hoe zal dat samengaan?

Daar hoor ik kantoorgenoten in de koffiehoek. Koffie, ja! Ik begeef mij in het gemeenschapsleven. Voorstelronde. Ik wijs op het NIAS-logo. Een uil. ‘Minerva,’ zegt er een. ‘Wijsheid,’ zegt een ander.

Ik geef alle quotes hier in het Nederlands. De 27 NIAS-fellows in dit halve jaar: je hebt er Canadezen onder, Engelsen, een Vlaming en een Waal, kopstukken uit Spanje, Syrië, India, VS, iemand uit de Kaukasus, een Duitser, en ja ook Nederlanders. We spreken Engels met elkaar, de lingua franca waarmee we hemelsbrede kloven tussen alle disciplines moeten overbruggen. Ik geef een indruk: aura-studies, DNA, archeologie, landschapsarchitectuur, meeuwenethologie, statistiek, oorlogsarmoede, ostheomineralogie, gesticulatuur in socialibus, familierechthervorming, epistolair nationalisme in de 19e eeuw, theoretische biologie, islamonderwijs, postkoloniaal Indië, de psychologie van het dood spelen van mens en dier bij groot gevaar. Dit alles en nog veel meer, bijeengedreven in het NIAS.

We staan nog even in de koffiecorner. ‘De uil, symbool van kennis,’ zegt een derde. ‘En van scherpzinnigheid.’
Terug in mijn kantoor meteen Word geopend voor een nieuw hoofdstuk voor mijn ‘ontgroende essays’. Uilmateriaal gezocht op internet. De eerste NIAS-winst lijkt al aanstaande. Voor mijn boek, maar als ik andere uil-connotaties vind óók sociaal. Misschien moet ik zelf de uil maar spelen. Actie als bij de anderen het licht uitgaat.

Een schrijver wordt door wetenschappers gezien als een vreemde vogel. Fladderend soms misschien, freischwebend, maar ook iemand die niet gekooid zijn werk verrichten moet.
‘Jij hoeft tenminste niet altijd alles te verantwoorden,’ zei een mede-fellow, een Indië-historicus. ‘En weet je hoeveel gezeur wij moeten ondergaan, voor een blad van naam en faam een stuk van ons wil plaatsen?’

‘Ook de wetenschap gaat niet over rozen,’ knikte ik. ‘En verantwoorden doe je in voetnoten. Maar ik gebruik ze zelf ook. Sterker: het notenapparaat in mijn boeken is de helderste spiegel van mijn ziel.’
‘Fictie met voetnoten?’
‘Het is een aparte kunstvorm. Dat wordt wel eens vergeten. De voetnoot wordt ondergewaardeerd. Neem jouw vak, de historie. De uitdrukking ‘een voetnoot in de geschiedenis…’ Gavrilo Prinzip eet een broodje, ziet Frans-Ferdinand op straat verdwaald en geeft het startschot voor de Grote Oorlog. Ik bedoel maar. En wat denk je van deze voetnoot: ‘Alles wat hierboven wordt vertelt, dient naar het rijk der fabelen te worden verwezen?’
‘Ja, als je het zo ziet…’
Ik zie het zo.

Ik meen dat dit gesprekje plaatsvond tijdens een van de dagelijkse NIAS-lunches, het ontmoetingsuur bij uitstek voor de fellows. ’s Middags warm eten is even slikken, maar misschien wel juist daardoor ontstaat contact. Aanvankelijk meestal over werkzaamheden, maar gaande de maanden komt bij iedereen de mens bovendrijven. Dan gaat het over alles. Dat geeft toenadering, gezelligheid. Sommigen vrienden elkaar op Facebook, er zijn uitstapjes met zijn allen – twee gebroken voeten (1 fellow, 1 wederhelft) scheppen eendracht. Er wordt bovendien genoeg gelachen om aan een community te denken, daar in de Spinhuissteeg.

In oktober staat mijn 5 minuten-speech op het programma, of is het die van tien? Ik heb intussen flink wat uil-info verzameld. Bijvoorbeeld deze wijsheid: ‘De uil is door de eeuwen heen op zeer diverse wijze begrepen – de vogel vliegt heen en weer tussen dieper inzicht en verdwalen. Het is een vogel ohne Eigenschaften.’
Of: ‘De uil werd wel door de boeren tegen de poort van hun stal gespijkerd, om de duivel (en zichzelf) schrik aan te jagen.’ Er hoort een soort van gedichtje bij:

‘Wat gruwel zie ik hier? Hecht Goris deeze uil met nagels aan zijn poort? Dit schelmstuk is te vuil. Vlucht uilen, vlucht van hier, ja, schuil in duister oorden: Want d’eene broeder durft hier d’andere vermoorden.’

De link is simpel. Voetnoten over de uil, symboolvogel van het NIAS. Pas op het laatste moment kwam ik op het idee eens op NIAS te gaan googelen. Verbluffend resultaat. Op het Indonesische eiland Nias blijkt een specifieke uil te vliegen, met zoveel woorden ‘Nias-uil’ geheten. Dit was nieuws, voor mij, voor iedereen. Een echte voetnoot in de jongste geschiedenis van het NIAS. Meteen ook in mijn boek opgenomen, uiteraard. Het mes moest wel aan beide kanten blijven snijden.

Intussen kwamen de eerste resultaten binnen van mijn missiewerk: het verstrekken van goede literatuur onder wetenschappers. Mijn eigen werk wel te verstaan. De familierechtman vond aanknoping in Het fluïde tijdperk, vroeg 2017 verschenen. Zijn project was de moderne familie (man-man, vrouw-vrouw, of meervoudiger samenlevingsvormen en poly-amorie) in het recht te persen, en daarvoor moest hij ’t recht doen vloeien. De meeuwenetholoog had ik een stuk uit het manuscript van De ontgroende mens gemaild, over Jeugdstormvogels, meeuwmisbruik en PVV. Hij kwam er een uurtje over bomen op kantoor. Andersom legde ik mijn oor te luister bij de theoretisch bioloog, die mij ook heel praktisch bleek te willen/kunnen informeren voor mijn nieuwste essays. Gaande de maanden op het NIAS waste de vereniging van het nut en ’t aangename almaar aan.

De seminars begonnen, punctueel tot een half uur beperkt, de NIAS-directeur bewaakt de klok; gevolgd door vragen. En daarmee kom ik aan mijn voordracht over De ontgroende mens. Er werd van mij ‘iets anders’ verwacht. Waarschijnlijk iets voetnootachtigs. Dit was deels mijn eigen schuld. Ik had hier en daar het gerucht verspreid dat het heel iets anders worden zou. Er was beslist ook reden voor dat laatste. Heel persoonlijk: ik verveelde mij soms een beetje bij die talks. Met alle achting voor mijn mede-fellows: de rij van presentaties werd wat sleets. Wéér zo’n powerpoint!

Ik besloot dus tot een powerpoint. Maar dan eentje zonder woorden. Plaatjes, tekst die ’t publiek zelf maar lezen moest. Aldus ingeleid:
‘Lieve vrienden, ontspan u even na een ochtend wetenschap. Leun achterover, laat het tot u komen. En wat vragen achteraf betreft: géén vragen, maar commentaar zeer welkom.’

Op Youtube had ik relaxation-klanken gevonden, geluid voor onder de PP. Gekwinkeleer van vogels (geen uil er bij). Klaat’rend beekje. Natuurgeruis.

Beluister het natuurgeruis vanaf 44:00.

Het beeld moest het werk doen, met wat tekst. Dit als impressie van waar mijn nieuwe boek naartoe wil. Mijn wolk.

Ik schrijf dit nu mijn fellowship ten einde loopt, met zeer gemengd gevoel. Spijt dat het niet langer duurde. Boek afgemaakt, en ’t is veranderd dankzij de NIAS-uil. Goed! Kantoor uithuizig zijnde in dat halve jaar: meer mobiel geworden ook.

Maar binnenkort zit ik weer thuis, dertig jaar vertrouwd. Dat wordt toch wennen. Elke dag met Osdorp-tram naar ’t centrum van de stad geeft lucht en adem, ook geestelijk beweeglijker geworden. Eigenlijk heel gek. Waar andere fellows juist een NIAS zochten om los van de wereld alsmede (les)verplichtingen rustig aan het werk te kunnen, was het bij mij juist andersom. Volk om mij heen, beweging, deuren open zetten. Hoe rijk het leven van een voetnoot-uil in de tempel van de wetenschap.

Links

Waar andere fellows juist een NIAS zochten om los van de wereld alsmede (les)verplichtingen rustig aan het werk te kunnen, was het bij mij juist andersom. Volk om mij heen, beweging, deuren open zetten.

Schrijver

Atte Jongstra

Atte Jongstra (Terwispel, 1956) publiceerde verhalenbundels, romans, essayistiek en poëzie, dat laatste onder het pseudoniem Arno Breekveld. Zijn recente bundel Het fluïde tijdperk bevat essays over (beeldende) kunst. In 2016 werd zijn oeuvre bekroond met de Constantijn Huygensprijs. Eerder ontving hij de Geertjan Lubberhuizenprijs voor de roman De psychologie van de zwavel (Contact, 1989), de J. Greshoffprijs voor Familieportret: essays (Contact, 1996), en de Max Pam Award voor Klinkende ikken: bekentenissen van een zelfontwijker (De Arbeiderspers, 2008). Jongstra is tevens recensent voor NRC Handelsblad. Maart 2018 verschijnt zijn nieuwe essaybundel bij uitgeverij AfdH en bij de Arbeiderspers verschijnt zijn nieuwe dichtbundel (onder eigen naam), Furunkel.

Bekijk alle weblogs van Atte Jongstra