weblog

God is mijn tuinman

14 september 2017

”Leven we om te schrijven, had ik Holst willen vragen, of schrijven we om te leven?” Erik Rozing verbleef een maand in het Roland Holsthuis om er te werken aan zijn tweede roman - en las er de biografie van de dichter in wiens woonstede hij verpoost. Bespiegelingen over inspiratie en depressies, schrijvers en artsen, beperking en vrijheid vanuit de wilde tuin.

Bijzonder gevaarlijk, kankerverwekkend en dodelijk voor mens en dier, zo omschrijft tuinman Maarten de lieflijke gele bloemetjes die naast de brievenbus aan de weg staan; Jacobskruiskruid, en het moet dan ook beslist worden vernietigd.

Ik ben Maarten dankbaar dat hij mij behoedt voor de botanische gevaren waarmee een verblijf in het Roland Holsthuis gepaard gaat en als hij na een uurtje in de tuin naar koffie informeert, ben ik blij dat ik iets terug kan doen. Ik zet genoeg koffie voor een volle thermosfles en pak de tuinstoelen uit het schuurtje.

Maarten is een sympathieke zestiger, geboren en getogen Bergenaar, die ooit Slavische talen heeft gestudeerd en zich Holst nog goed kan herinneren, bij De Pilaren, daar zat Jany vaak om wat te drinken met andere schrijvers. Leven we om te schrijven, had ik Holst willen vragen, of schrijven we om te leven? Ik probeer me het leven van de dichter voor te stellen; schrijven, drinken, de duinen, het strand, de vrouwen, en daarover schrijven; kan een leven nog mooier zijn dan dat van Holst?

‘Is de tuin er voor ons of zijn wij er voor de tuin?’
‘Dat is een goeie vraag’ zegt Maarten. ‘Je zet trouwens echt lekkere koffie!’

Als ik hem nog eens inschenk, vertelt hij dat hij echt van zijn werk houdt, maar dat het soms niet meevalt als de medewerkers van het Fonds zich ermee menen te moeten bemoeien, door hem er bijvoorbeeld op te wijzen dat de tegels groen zijn uitgeslagen. Ik kijk naar de groene tegels en het groene hout van een authentiek, karaktervol tuinmeubel en de groene coniferen die de weg voor het huis effectief aan het oog onttrekken – een tuin die je zeker als wild kunt karakteriseren, maar is dat geen compliment in een steeds dwangmatiger geordende samenleving? En wat is onkruid? Gaat het er niet om dat een plant mooi is, dat hij bloeit, en zelfs als hij niet mooi is en nooit bloeit, dat hij in ieder geval zijn best doet en op zijn manier een bijdrage levert aan de natuur? De planten zelf hebben er in ieder geval nooit om gevraagd om ingedeeld te worden in kruiden en onkruiden. Dat is tenminste wat ik mijzelf ’s morgens voorhoud als ik van het huisje naar de weg loop en de prille doch innige omhelzing van de struiken aan weerszijden van het tuinpad moet verstoren, als ik naar de brievenbus loop, waar er dagelijks nog een stuk buitenwereld voor mij klaarligt in de vorm van een doorgestuurde krant, zodat ik mij van alle andere elektronische media kan afsluiten om me volledig op het schrijven te richten, zonder mij zorgen te hoeven maken dat ik het einde van de wereld misloop.

‘God is mijn tuinman,’ citeer ik Holst, in navolging van zijn biograaf Van der Vegt, van wie er in de woning het aantrekkelijk slanke boekje Een tweede huid ligt, een beschrijving van de innige band tussen Holst en het huis. Zijn vader had het huis voor hem laten bouwen en schonk het Holst, toen het studeren niet zo wilde lukken, samen met een maandelijkse toelage zodat hij zich ongestoord kon wijden aan het dichten.

‘Dat was hoe Jany in elkaar zat,’ zeg ik, inmiddels vertrouwd geraakt met het gebruik dat Holst er postuum een schare aan intimi op nahoudt die hem bij zijn voornaam noemen, zonder hem noodzakelijkerwijs in levenden lijve te hebben gekend; ‘Jany liet de tuin zijn gang gaan, hij liet het allemaal groeien en bloeien.’

‘Precies!’ zegt Maarten. ‘Is er nog meer koffie?’

Ik loop naar de keuken en herinner me dat Van der Vegt beschrijft dat het riet hoger stond dan de ramen, die blijkens de foto’s vóór de verbouwing een stuk kleiner waren, en dat het riet zelfs naar binnen groeide door de verrotte kozijnen. Het moet er vaak erg koud zijn geweest. Holst hardde zich met koude stortbaden. In de jaren zestig moest hij zijn woning opgeven, omdat het verblijf hem beangstigde en deprimeerde. Vanwege zijn depressie werd hij opgenomen in de Valeriuskliniek. Als psychiater, en zelf niet ongevoelig voor winterdepressies, vraag ik me af of Holst door de dichtgegroeide tuin niet zodanig van zonlicht verstoken bleef dat dit de depressies in de hand heeft gewerkt. Van der Vegt beschrijft dat Holst gebruik maakte van zijn depressieve aanleg bij het schrijven van zijn gedichten. In die zin kon hij wellicht ook niet zonder de zwaarte van het schemerlicht waarmee zijn woning was doortrokken en was dat de verklaring dat hij destijds in paniek raakte toen de wildernis eromheen werd gekortwiekt. Het licht in zijn huisje was niet meer hetzelfde!

Rozing voor het Roland Holsthuis

Maarten vraagt of het huis me inspireert. Ik weet niet hoe een huis je kan inspireren – tenzij je misschien een architect bent. Maar het heeft wel een stimulerende werking op het schrijven, de productiviteit, wat ook te maken zal hebben met de rust in Bergen, de stilte, het licht en de openslaande tuindeuren waarbij ik mij direct in een mooie omgeving bevind. Door de grote ramen en het weidse uitzicht is het alsof ik al midden in het groen van de tuin en de weilanden zit, waardoor ik niet de hele tijd dat onrustige gevoel heb dat ik het aan mijzelf verplicht ben om naar buiten te gaan, en dus goed kan doorwerken.

De geschiedenis van het huis, zoals die in de biografie staat beschreven, maar die ook door de foto’s die in het huis hangen tot leven komt, maken het tot een bijzondere plek. Een van de vele schrijvers die Holst hebben opgezocht is Slauerhoff – wiens werk ik van jongs af aan erg heb bewonderd. Hij logeerde er een tijd samen met Darja Collins en heeft het huisje nog bijna laten afbranden door een broodrooster die hij bij vertrek had laten aanstaan, net als de petroleumkachel, wat, slordig of niet, toch een bijzonder gegeven is aangezien hij in zijn gedichten zijn woningloosheid zo omarmde; alsof hij het Holst ook ‘gunde’ om alleen in zijn gedichten te wonen.

Woninglooze

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
Nooit vond ik ergens anders onderdak;
Voor de’ eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
Een tent werd door den stormwind meegenomen.

Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
In steppen, stad en woud dat onderkomen
Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
Waarmee ‘k weleer kon bouwen, en de aarde
Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
Plek waar mijn graf in ‘t donker openbreekt.

J.J. Slauerhoff

Interessant is dat Slauerhoff het schrijven combineerde met zijn werk als scheepsarts en bleef varen tot zijn gezondheid het niet meer toeliet, terwijl zijn tijdgenoot Vestdijk na zijn studie nog slechts een korte periode als waarnemend huisarts werkte, waarna hij zich al snel volledig op het schrijven richtte.

Vestdijk had vaak last van ernstige depressies en Holst heeft hem nog wel eens gevraagd hoe dat nou was (“Niet leuk.”). De schrijver Brakman, eerst huisarts en later bedrijfsarts, hielp Vestdijk met adviezen over antidepressiva zoals Tofranil (imipramine), dat meermaals een succesvol middel bleek. In 1970 zegt Brakman in een interview met Hazeu voor het radioprogramma Literama, dat hij het betreurt dat hij in de kritieken vaak las dat hij een schrijvende arts was: “Dat doet noch aan het arts-zijn, noch aan het schrijver-zijn goed. En dat laatste interesseert me vnl. nog het meeste. Een schrijvende arts doet het erbij, men is arts, maar daarbij is men dan schrijver, en zover ik het kan bekijken, ben ik eigenlijk een schrijver. Dat arts-zijn doe ik om in mijn onderhoud te voorzien.”

Zelf zie ik het arts-zijn, of psychiater-zijn, niet als een beperkende factor voor mijn schrijverschap. Het werk als psychiater is dankbaar, inspirerend (voor mij in ieder geval inspirerender dan een huis) en compenseert het isolement en de zelfgerichtheid van het schrijven. Wel merkte ik dat de bespreking van de roman eerder werd overgelaten aan een recenserende psycholoog of psychiater. Ook word je, zeker als je naast schrijver geen redacteur of schrijfdocent bent, eerder gezien als ‘een outsider in de wereld van literatuur’, zoals het overigens fraaie juryrapport voor de shortlist van de Hebban Debuutprijs vermeldde, bij het bekendmaken van de nominatie van De psychiater en het meisje.

Daar lig ik niet wakker van, of ik nu een outsider ben of niet. Voor de lange termijn wil ik graag geloven dat het de kwaliteit van mijn werk zal zijn die bepaalt waarmee mensen mij zullen associëren. Als hoogleraar bleef Van den Hoogakker bekend als psychiater naast de dichter, Kopland, terwijl Tsjechov niet lang getypeerd werd als schrijvende arts, en om dezelfde reden zal de bespreking van Hermans’ Nooit meer slapen niet zijn overgelaten aan een recenserende fysisch geograaf.

Inmiddels is ook de tweede thermoskan leeg en ga ik weer aan het werk. Als ik mij de volgende ochtend over het tuinpad een weg naar de brievenbus worstel, zie ik het Jacobskruiskruid naast de weg in het gras liggen; het is met wortel en al uit de aarde getrokken. Holst had wellicht liever gezien dat het daar was blijven groeien en bloeien, maar naar mijn idee heeft God in Maarten een waardige opvolger gevonden.

Uit: Willem Brakman, Ondertekend, 1985

Wilt u in 2018 een maand in het Roland Holsthuis werken? Belangstellende schrijvers en literair vertalers kunnen zich uiterlijk tot maandag 27 november 2017 aanmelden. In december krijgen aanvragers uitsluitsel. De huur bedraagt € 800 per maand. Meer informatie over de criteria en aanmeldprocedure, vindt u elders op deze website, op de pagina over het Roland Holsthuis. Op zondag 29 oktober, tijdens de Bergense Kunst10daagse, houdt het Roland Holsthuis open huis.

Links:

Het huis heeft een stimulerende werking op het schrijven, de productiviteit, wat ook te maken zal hebben met de rust in Bergen, de stilte, het licht en de openslaande tuindeuren waarbij ik mij direct in een mooie omgeving bevind.

Schrijver

Erik Rozing

Erik Rozing debuteerde in 2016 met de roman De psychiater en het meisje bij uitgeverij Meulenhoff. Rozing studeerde geneeskunde in Maastricht en volgde in Leiden de specialisatie tot psychiater. Hij woont sinds een paar jaar in Amsterdam, in zijn werk richt hij zich met name op de behandeling van psychose en trauma. In juli 2017 verbleef hij een maand in het A. Roland Holsthuis in Bergen (NH), de schrijversresidentie van het Bert Schierbeekfonds, om te werken aan zijn tweede roman.

Bekijk alle weblogs van Erik Rozing