weblog

Reisverhalen #2

Isles of Scilly

28 juli 2017

Ik zag de huizen die zich stevig aan de rotswand klampten, de vissers, de witte vuurtoren en wist: mijn verhaal hoort op een eiland thuis.

In de zomer van 2016 voer een boot me van het Franse havenstadje Granville naar het eiland Îles Chausey. Het verhaal van mijn nieuwe roman was er, althans, in mijn hoofd en in een beduimeld schrift dat bulkte van de krabbels en de schetsen. Toen ik van op de boot de kust van het piepkleine Îles Chausey zag opdoemen was daar, volkomen onverwachts, een ontbrekend puzzelstuk.

Een oude vrouw op een bankje aan het water zwaaide, ergens flapperde de schone was aan een lijn tussen twee bomen – zoveel pais en vree. Daar zou ik met mijn verhaal abrupt een einde aan maken. Jazeker, je kunt je als auteur oprecht verkneukelen in het vooruitzicht zo’n serene plek allerlei onheil en geweld aan te doen. Vanaf dat moment kon de gruwel van De vondeling nergens anders plaatsvinden dan op een klein eiland.

In mijn zoektocht naar het perfecte eiland voor de roman, liet ik ongegeneerd de hele wereld auditeren. Bosatlas open, digitaal surfen langs eilanden ver weg, vlakbij. Ik las over uiteenlopende plekken, dacht na over mogelijke consequenties voor de plot, en hield natuurlijk rekening met mijn eigen fascinaties. Gezien mijn grote liefde voor de Angelsaksische literatuur was het niet verrassend dat ik via de Caraïben en de Sub-Antarctische eilanden (open mind, heet zoiets) eindigde in Engeland.

Ik viel als een blok voor de Isles of Scilly, de kleine eilandengroep, die de meest zuidwestelijke punt van Engeland vormt, op ongeveer drie uur varen van het dorp Penzance in Cornwall. De meeste Britten hebben wel eens van de Scillies, zoals ze worden genoemd, gehoord. Voor buitenlanders is het een onbekende plek die erom vraagt verteld en ontgonnen te worden, al is het maar fictief.

De Isles of Scilly zijn vol mythen, legenden en verhalen, met een indrukwekkende geschiedenis. Hier heersten piraten als Sir Francis Drake, slachtoffers van de pest werden er gedumpt, vanuit Rome zijn ongehoorzame bisschoppen naar de eilanden verbannen, dubieuze sekten konden er lange tijd voortbestaan. Kortom, Scilly is een duistere, historisch beladen plek.

Ook voor Nederland. De Driehonderdvijfendertigjarige Oorlog, de langst durende bloedeloze oorlog in de wereldgeschiedenis, ‘woedde’ tussen deze eilanden en Nederland. In de zeventiende eeuw was de plek een laatste haven voor vloten die de Nieuwe Wereld hoopten te bereiken. Talloze Nederlandse schepen werden door Scilly-piraten overmeesterd. Zoveel, dat admiraal Tromp in 1651 namens de Nederlandse regering de Isles of Scilly de oorlog verklaarde. Pas in april 1986 bezocht een Nederlandse ambassadeur het eiland om er officieel vrede te sluiten.

De oceaan rond de Isles of Scilly is legendarisch woest. Vele rotsen zijn er vernoemd naar drenkelingen, bij de pittoreske kerk in Old Town op St. Mary’s, het grootste eiland, staan honderden grafstenen met namen van vissers, matrozen, maar ook kinderen. In zijn boek Scilly and Its Legends uit 1852 vat dominee/auteur/reiziger H.J. Whitfield samen: ‘for every man that dies a natural death here, nine drown at sea.’

Alleen in de zomer kunnen bezoekers naar het eiland varen op de Scillonian, een kleine veerboot die in de volksmond treffend de ‘Vomit Comet’ wordt genoemd. Het eiland heeft twee gezichten: in de zomer is het een subtropisch vakantieparadijs met palmbomen, witte stranden, jachten en vrolijke vakantiegangers. In de winter kun je de Scillies enkel per eenmotorig vliegtuigje bereiken. Het is er guur en woest, zoals ik tijdens mijn reis in februari 2017 zou ervaren.

Ik heb vliegangst. Ik ben er niet trots op en ik heb het rotgevoel inmiddels min of meer bedwongen, maar toen ik het gevleugelde stuk blik zag trillen dat me in volle wind zou meenemen naar het eiland St. Mary’s, kreeg ik het flink benauwd. De vlucht was al twee dagen afgelast vanwege te harde wind, iets wat heel normaal is, hoorde ik later. Op de Scillies kom je niet zomaar en, zoals een oudere inwoner me op de landingsbaan toefluisterde: ‘Je komt hier niet zomaar weg.’

Uiteindelijk, zoals zo vaak met dingen waar de angst opsteekt, was het onvergetelijk om op vlieghoogte de eilanden in de oceaan te zien verschijnen. Als kleine puzzelstukjes in eindeloos veel water. Het vliegblik landde veilig op St. Mary’s, het grootste eiland van de groep waar zo’n duizend mensen wonen. Van daar voer ik op een vissersboot naar het kleinere St. Agnes met amper zeventig inwoners. Over een rotsachtig pad kon ik er wandelen naar mijn eindbestemming: het fantastische Gugh, een piepklein eiland in de Atlantische Oceaan met slechts één onbewoond, volkomen romanwaardig huis.

Tussen sommige eilanden lukt het bij laag tij nog te lopen of te waden, maar eens de golven zijn opgerukt, kun je geen kant meer op. De natuur heeft het voor het zeggen op de Isles of Scilly. Op Gugh woedt in de winter een stormachtige wind, opspattende golven – alles wil je er weg hebben. Zoals alles en iedereen ook mijn hoofdpersonage verwenst, een jonge vrouw die terugkeert naar het mysterieuze eiland van haar jeugd waar ze als klein meisje ooit een gruwelijke vondst deed.

Wat betreft de vorm van de roman, heb ik me, net als mijn hoofdpersonage, laten inspireren door het ambacht (de kunst, volgens velen) van de taxidermie. Villen. Vlezen. Vullen. Deze drie stadia van (re)constructie vormen de ruggengraat van de roman. Terwijl ik verder schrijf en in de roman probeer te verwoorden wat ik tijdens mijn verblijf heb gezien, laat ik hier vooral de beelden spreken: een impressie van mensen en plekken die me op de Isles of Scilly hebben geïnspireerd.

Zoals Valerie in Val’s Place, de half lege winkel waar ze al jaren werkt tussen het voorverpakte brood, de stoffige strandballen en oude kranten in een koeling die het al lang niet meer doet (check de foto).

Zoals George, de meester-taxidermist, die me openhartig over het vak vertelde en die ik mocht assisteren in zijn atelier/schuur waar ‘Ssst, luister!’ zijn geliefde eekhoorns op het dak trippelen, waar hertenhoofden baseballcaps dragen en Tina Turner op haar kalender toekijkt.

Zoals de patrijs die ik met George nieuw leven in zou blazen of, zoals hij het noemt: the spark teruggeven. Het is ons niet gelukt.

Zoals de vuurtoren van St. Mary’s met de geweldige naam Penninis Head, waar in de roman een groep hedonisten bivakkeert die door de plaatselijke bevolking wordt verstoten.

En zoals Gugh, mijn gruwelijke, dierbare eiland waar een rots vernoemd werd naar Queen Victoria die met haar stenen profiel uitkijkt over de oceaan, waar het tij het voor het zeggen heeft en waar het legendarische ‘monster met twee monden’ leeft.

Meer reisverhalen:

Schrijver

Sarah Meuleman

Sarah Meuleman is geboren in Oostende en woont en werkt in Amsterdam. Meuleman schreef voor Vrij Nederland en Vogue en maakte het kunstprogramma Sarah’s Barbaren (VPRO). Haar debuutroman De zes levens van Sophie (2015) werd genomineerd voor de Bronzen Uil. In 2016 verscheen Wat ik je niet vertel, een nieuwe versie van haar debuut. De Engelse vertaling van De zes levens van Sophie verschijnt najaar 2018 bij Harper Collins US. Haar nieuwe roman De Vondeling komt voorjaar 2018 uit bij Lebowski.

sarahmeuleman.com

Bekijk alle weblogs van Sarah Meuleman