weblog

Op reis #4: Indonesië

Stil verzet

17 november 2016

Ik wilde naar Indonesië. Ik woon alweer twintig jaar in Suriname en wist weinig van die andere voormalige Nederlandse kolonie. Nederlands-Indië leek zich dieper in het koloniale geheugen van Nederland te hebben gegrift dan de kolonie in de West. Over Indië was veel geschreven. De publicaties die ik had gelezen kwamen op mij vaak nostalgisch over, of verdrietig en vol verbazing over het verlies van de gordel van smaragd. Bij Suriname waren die emoties geheel niet aan de orde. Ik had de indruk dat het al lang niet meer winstgevende rijksdeel al vóór de onafhankelijkheid in 1975 uit het collectieve Nederlandse bewustzijn was geschrapt. Ik kon over Nederlands-Indië tientallen boeken lezen, nog dacht ik niet de blik van binnenuit te verkrijgen, zoals ik die wonend in Suriname over dat land had opgedaan.

Ik wilde juist mensen spreken, de stilten tussen hun zinnen proberen te duiden, sferen opsnuiven. Maar bovenal: ik moest snel zijn, want wie in Indonesië nog iets had meegemaakt van de koloniale tijd was nu in de tachtig of ouder. Toen ik goed bericht ontving van het Letterenfonds, liet ik dus geen gras over mijn plannen groeien. Ik mailde een vriendin die in Jakarta werkt en mocht me introduceren in haar netwerk. Ik boekte een ticket, een week later zat ik in het vliegtuig.

Als er één verschil is tussen Suriname en Indonesië dan is dat dit: in Suriname is Nederland nog alom aanwezig, in Indonesië merk je vrijwel niets van een eeuwenlange verbintenis met het voormalige moederland. In Suriname is Nederlands de voertaal, je hebt er een prinses Amalia-school en een Hollandia-bakkerij, en of dat nog niet genoeg is: iedere avond om acht uur wordt het NOS Journaal uitgezonden. In Indonesië komen in het Bahasa Indonesia nog slechts enkele op het Nederlands te herleiden woorden voor, zoals apotek, kantor, gordyn en baduk voor baddoek. En er is gebouwd erfgoed: mooie koloniale panden met witte muren en houten luiken, maar wie betaalt voor de peperdure restauratie? Feit is: het dagelijks leven in Indonesië kent nauwelijks verwijzingen naar de Nederlandse tijd. Op straat daarentegen getuigen strijdvaardige monumenten juist wel van het omgekeerde: de breuk met Nederland in 1945.

Jakarta is een overvolle stad. Wolkenkrabbers bepalen de skyline en op de grond kruipt een sliert auto’s voort. Belanda, Holland, lijkt in al die drukte doodgezwegen. En dat is ook logisch. Nederland als moederland liet zich de laatste decennia voorstaan op een ethische politiekvoering. De eenvoudige bevolking moest educatie en ontwikkeling worden bijgebracht. Dat Indonesië zelf al eeuwenoude culturen kende, gecultiveerd aan hofhoudingen van plaatselijke sultans, deed daar niet aan af. In de West was dat heel andere koek. Suriname ontstond als een bedrijfsmatige Nederlandse creatie. Een plantagesamenleving, die stoelde op het handelsprincipe productie versus goedkope arbeid. Om het lege land te bewerken, verscheepte men slaven uit Afrika naar het wingewest en in de twintigste eeuw contractarbeiders. Veel culturele bagage hadden die arme drommels niet. De contractarbeiders kwamen uit een landbouwstreek in Brits-Indië en vervolgens uit Nederlands-Indië, de eigen kolonie waar de werving geen overheidsbeperkingen kreeg opgelegd. Op dat punt in de geschiedenis ontmoetten de Oost en de West elkaar. Van de ruim dertigduizend uit Java naar Suriname overgebrachte arbeiders keerde slechts een enkeling na afloop van het werkcontract terug naar Indonesië. Hun nazaten in Suriname houden vast aan een afgeleide van de Javaanse cultuur. Ze eten kruidige nasi en soato soep (soto in Indonesië), gaan naar de moskee, en hullen zich op hoogtijdagen in sarongs.

Terug naar de beleving van Nederland in het huidige Indonesië. Behalve het wegvegen van een pijnlijk stuk geschiedenis onder een nationalistische mat, zit het ogenschijnlijke negeren hem ook in het karakter van de Indonesiër zelf. Beleefd, gedienstig en daarmee conflict vermijdend. Harmonie is broodnodig onder een snelgroeiende bevolking die meerdere talen en religiën kent en die van oudsher ook meerdere heersers accepteert. Of de meester nu een sultan was, zijn kromme dolk gestoken in zijn buikband, of een bebaarde, rossige noordeling: wat maakte het de veldarbeider of de ambachtsman uit naar wiens pijpen hij diende te dansen? Uitgeknepen werd hij sowieso wel. Toch zou achter de Aziatische glimlach een wereld van geheime macht huizen. De stille kracht, volgens Louis Couperus. Of, zoals Toeti Heraty tegen mij zei, een Indonesische hoogleraar filosofie, schrijver en succesvolle zakenvrouw: ‘Wij geloven dat er meer is dan je ziet. Een kosmische samenhang waarbinnen je je plek dient te kennen.’ Toeti is tweeëntachtig jaar en spreekt zorgvuldig Nederlands, nog in haar jeugd geleerd. ‘Voor mij heeft godsdienst een meer bindend, sociaal karakter. Het besef van het mystieke is diepgeworteld en is overgewaaid van onze animistische overtuiging dat de gehele kosmos bezield is. Wij kennen een stil verzet.’

Op mijn eerste avond in Jakarta neemt mijn vriendin mij mee uit eten in het Tugu Kunstkring Paleis, gelegen in een residentiële wijk. Het monumentale pand, naar een ontwerp van een Nederlandse architect, herbergde in de vorige eeuw een kunstsociëteit. De inrichting bestaat uit kroonluchters, stoelen bekleed met rood pluche en andere weelderige meubels. Boven de entree hangt een koninklijk aandoend embleem, het in batik geklede personeel buigt veelvuldig. Maar dan. De volledige achterwand van de eetzaal is bedekt met een kleurrijk schilderij van negen bij vier meter. Mijn vriendin vertelt me dat het is geschilderd door de eigenaar en oprichter van het restaurant en de titel The Fall of Java draagt. Ze zegt ook wat de afbeelding voorstelt. Een belangrijke Indonesische gebeurtenis: de gevangenneming op 28 maart 1830 van prins Diponegoro, volksleider in de Java-oorlog tegen de Nederlanders. Ik zal zijn naam tijdens mijn reis vaker tegenkomen. Het schilderij hangt als blikvanger tussen koloniaal aandoend pracht en praal. Stil verzet.

Ik sta rond een vijver in de tuin van Tamalia Alisjahbana. Het is een warme namiddag. Tamalia is betrokken bij de vereniging voor behoud van de historische binnenstad van Jakarta. Ze spreekt een keurig Engels. De lotussen in haar vijver hebben zich al voor de avond gesloten. Tamalia voert een eend stukjes brood, het dier vist de zompige meelballetjes zorgvuldig uit het water. We praten over de totstandkoming van Indonesië. ‘Het besef dat we een eenheid moesten worden, kwam van onze jongeren,’ legt Tamalia mij uit. Dan houdt ze opeens stil, kijkt me onderzoekend aan en vraagt: ‘Are you in fact more Surinamese than Dutch?’ Ik voel de strekking van haar vraag aan, de Indonesische volksaard niet te willen beledigen. ‘Ik woon al twintig jaar in Suriname,’ antwoord ik enigszins ontwijkend. Die reactie is voor haar voldoende, ze knikt instemmend en gaat me voor haar huiskamer in. Op verschillende tafels en bijzettafels liggen stapels boeken. Er staat een dienblad klaar, huispersoneel is voor wie het zich kan veroorloven heel gewoon. Tamalia schenkt thee en praat verder: ‘Indonesië zocht begin twintigste eeuw naar een eigen identiteit. Wie zijn wij? Jongeren vanuit het hele land kwamen in 1928 bijeen om daarover te praten. De roep om vrijheid en hang naar zelfstandigheid alleen was onvoldoende. Een belangrijke bindende factor zou een gezamenlijke taal moeten zijn. Dat werd het Maleis, later Bahasa Indonesia. Mijn vader werkte mee aan de constructie daarvan en richtte een tijdschrift op om die vrijheidsgedachte te promoten. Bahasa werd de spreektaal op scholen en binnen de ambtenarij.’

Tamalia houdt me een schaaltje met loempia’s voor, ik neem er eentje. ‘De Verenigde Staten,’ zegt ze, ‘trokken hun handen af van Nederland na de eerste politionele actie in 1947. Die moest wel gefinancierd zijn met Amerikaans geld uit de Marshallhulp, Nederland zat na de Tweede Wereldoorlog immers financieel aan de grond. Amerika zag in dat die actie geen politieoptreden was. Het was oorlog! Compleet met tanks en wapens. Engeland hield zich al eerder afzijdig van het Nederlandse dispuut. De Engelsen gaven India op en wilden niet in een koloniale strijd van een andere mogendheid belanden.’ Ik knik, mijn blik wordt opeens getrokken naar een afbeelding aan de wand. Ik zie drie komische figuren, één met een dikke buik. ‘Wat stellen die voor?’ vraag ik. ‘Dat zijn wajangpoppen,’ zegt Tamalia glimlachend. ‘Ze verbeelden personages uit het Mahabharata- en het Ramayana-epos. Ze zijn wijs, maar ook grappig. Dat relativeringsvermogen zit in ons volk, een vorm van passieve weerstand. Wij laten ons door het Nederlandse verleden niet beïnvloeden.’

Ik moet terugdenken aan mijn gesprek met Toeti Heraty. Zij noemde Indonesië The invisible giant. Gigantisch in populatie en in omvang van het land, maar onzichtbaar door een bescheiden opstelling. De plotselinge razernij van Indonesiërs na afloop van de Japanse overheersing, hét moment om ook met Nederland te breken, moet voor Nederlandse bewindvoerders een schok zijn geweest. Want wie ervan overtuigd is goed te doen, verwacht niet anders te ontvangen. Het is een aloude misvatting.

We praten nog wat door, het wordt donker in de kamer. Mijn loempia is op, ik sla mijn tas over mijn schouder. Mijn gastvrouw loopt met me naar haar poort, de taxi die ze voor me heeft besteld is er al. Ik bedank haar voor het gesprek en voor de thee. ‘Do come back anytime,’ zegt ze. Indonesische hartelijkheid jegens vreemdelingen: in het licht van de geschiedenis voelt dat wat wrang. In de taxi steek ik mijn hand naar haar op. Ze zwaait terug. De chauffeur stuurt het drukke verkeer in.

Na mijn dagen in Jakarta reisde ik verder door Java. Ik hield uitgebreide gesprekken met in totaal zeventien personen uit verschillende bevolkingsgroepen en lagen van de samenleving. Zij boden mij inkijk in hun boeiende achtergrond. Ik hoorde mooie verhalen aan, schrijnend, vrolijk ook. Die zullen ergens in mijn werk hun neerslag vinden. Ik verheug me erop.

Meer reisblogs

Meer info over:

Letteren &cetera, september 2015: Kenneth van Zijl interviewt Tessa Leuwsha over haar roman Fansi’s stilte (Atlas Contact).

In Suriname is Nederland nog alom aanwezig, in Indonesië merk je vrijwel niets van een eeuwenlange verbintenis met het voormalige moederland.

Alle weblogs van Tessa Leuwsha

Schrijver

Tessa Leuwsha

Tessa Leuwsha (1967) is schrijver van fictie en non-fictie. Ze schreef de reisgids Wereldwijzer Suriname (Uitgeverij Elmar) die in diverse herziene uitgaven is verschenen. In 2002 werd haar verhaal Voor William bekroond met de aanmoedigingsprijs van de Kwakoe Literatuurprijs. Andere verhalen verschenen in de bundels Waarover we niet moeten praten (2007) en Voor mij ben jij hier (2010). Haar romandebuut, de Parbo-blues (Uitgeverij Augustus), werd lovend ontvangen en genomineerd voor de Vrouw&Kultuur Debuutprijs 2006 en de DebutantenPrijs 2006. Haar tweede roman Solo, een liefde, werd genomineerd voor de Black Magic Woman Literatuurprijs 2009. Eind 2015 volgde Fansi’s stilte. Een Surinaamse grootmoeder en de slavernij bij uitgeverij Atlas Contact.

Bekijk alle weblogs van Tessa Leuwsha