weblog

Dagboek Andrea Bajani - deel 4

Van Gogh op het slappe koord

4 september 2012

Ik ga meerdere keren terug om het Korenveld met kraaien te bekijken, een van de laatste doeken die Van Gogh heeft geschilderd voor zijn dood. Niet het laatste, maar een van de laatste.
De audiotour meldt dat het doek de geschiedenis is ingegaan als Van Goghs laatste, maar dat dit niet klopt. De tour meldt ook dat, omdát het de geschiedenis is ingegaan als Van Goghs laatste doek, iedereen die ernaar kijkt zegt dat het duidelijk is dat het Van Goghs laatste doek is.

Van Gogh - Korenveld met kraaien

Iedereen, met inbegrip van de critici, zegt de stem van de audiotour, beweert dat die zwarte kraaien symbool staan voor Van Goghs op handen zijnde dood, en dat het dus duidelijk is dat hij, nadat die kraaien zijn neergestreken, niets meer heeft kunnen schilderen.

Maar dat is niet waar.

De stem van de audiotour preciseert het op een enigszins pedante manier, als om te zeggen dat ze oppervlakkig zijn, al die mensen die denken dat het zijn laatste doek is. Aanvankelijk dacht ook ik, samen met de stem, aan die onwetendheid en wijdverbreide oppervlakkigheid. Maar daarna herinnerde ik me een boek dat ik heb gelezen – de titel is me helaas ontschoten – waarin stond dat het sterven al begint lang voordat het hart ophoudt met kloppen. Misschien was het wel een middelmatig boek, nu ik er nog eens over nadenk, maar ik herinner me dat er een zin in stond die luidde dat we allemaal als klosjes garen waren, en dat we allemaal begonnen te sterven op het moment dat het garen brak. Daarna kon het nog een dag duren, of drie weken, twee maanden, misschien zelfs jaren, maar er was niets meer aan te doen, want het garen was gebroken. Bij de een brak het garen omdat een vriend overleed, bij anderen omdat ze hun baan kwijtraakten, of soms ook alleen maar omdat iemand iets verkeerds zei, en op dat moment begonnen ze te sterven. En toen ik voor de zoveelste keer naar Korenveld met kraaien keek, moest ik aan dat verhaal van het garen denken, en bedacht ik dat bij Van Gogh het garen wellicht was gebroken op de dag dat hij dat schilderij had geschilderd, ook al had hij er daarna nog meer geschilderd. En daarom zou je het toch als zijn laatste schilderij kunnen zien, met alle respect voor de stem van de audiotour, die overigens werkelijk uitstekend inzicht biedt in Van Goghs artistieke en biografische levensloop.

Een van de dingen die in de audiotour bijvoorbeeld wordt vermeld is dat Van Gogh om te sterven een veld inliep op het platteland van Auvers en zich daar een kogel door de borst schoot. Ze vonden hem, verleenden hem hulp en vervolgens stierf hij twee dagen later in het ziekenhuis. Hij wachtte tot zijn broer Theo was gearriveerd en daarna stierf hij, bijna in diens armen. Als je weet dat hij een veld inliep om zelfmoord te plegen, is het moeilijk om Korenveld met kraaien niet als zijn laatste doek te zien. Het deed me denken aan de bergkam waarover elke kunstenaar loopt, met aan de ene kant het geleefde leven en aan de andere het weergegeven leven, en aan hoe die bergkam in de loop der jaren zo smal kan worden als een geslepen mes waaraan je je al lopend verwondt: je probeert bij elke stap als een koorddanser je evenwicht te bewaren maar je voetzolen beginnen steeds meer te bloeden. En ik kon de gedachte niet van me afzetten dat Van Gogh, teneinde daadwerkelijk een veld in te kunnen lopen om zichzelf een kogel door de borst te schieten, dat veld eerst had moeten schilderen. Om zelfmoord te kunnen plegen moest hij een korenveld schilderen, daarna drie paden, en pas nadat hij die had geschilderd, heeft hij er een gekozen, is het opgelopen, en toen hij aan het eind kwam heeft hij zichzelf door de borst geschoten.

Ik kijk ernaar en bedenk dat een schilder die om te kunnen sterven eerst de weg moet schilderen die tot zijn dood leidt, niet anders is dan een mens die op zoek is naar een taal om de dood mee uit te kunnen drukken. En dat brengt me op Mozart, die om te kunnen sterven een requiem heeft moeten componeren, dat hij niet eens heeft kunnen voltooien. Of op Sándor Márai, die in zijn onthutsende dagboeken uit 1984-1989 dag na dag vertelde over zijn naderende einde. ‘De dood is heel dichtbij, ik kan hem ruiken’, schreef hij. En hij voegde eraan toe: ‘Maar ik heb nog iets te delen met het leven’. Vervolgens begon hij het leven te beschrijven dat hem restte, dag na dag, hij ordende het, verdeelde het in zakjes met woorden, archiveerde het. In het leven dat hem restte bevond zich ook een revolver, die hij had gekocht en die hij leerde gebruiken door te schieten op de schietbaan, waarbij hij zijn vorderingen en impasses optekende in zijn dagboek. En pas toen hij er uiteindelijk in geslaagd was de dood te benoemen, pas toen hij erin geslaagd was om zich een weg van woorden te banen, pas toen pakte hij de revolver en sloeg de hand aan zichzelf.

Er is iets dat me ontroert, in de brieven die Van Gogh aan zijn broer Theo schrijft. Elke keer dat Vincent verhuist, elke keer dat hij zich verwijdert van de plek waar hij zich bevindt, schrijft hij Theo om hem te zeggen dat hij zich eindelijk goed voelt, dat hij eindelijk wat gemoedsrust heeft gevonden. Van Nederland naar Parijs, dan Arles, ten slotte Auvers-sur-Oise, waar hij zal sterven. Elke keer dat hij een nieuwe bestemming bereikt, schrijft hij dat hij eindelijk een plek heeft gevonden waar een beetje harmonie heerst, in plaats van de gebruikelijke strijd van alledag. In Arles omdat hij verliefd wordt op het licht, dat hem doet denken aan dat van zijn geliefde Japan. In Parijs omdat het niet zijn geboorteland Nederland is. In Auvers-sur-Oise omdat hij gevlucht is uit de kliniek in Saint-Rémy. Maar dan stort alles altijd weer in. Dat is het hartverscheurende van de illusie, die elke keer terugkeert en die men elke keer weer besluit te omarmen, uit een soort overlevingsinstinct, uit vergeetachtige wanhoop misschien, uit verlangen naar licht. En dan, de ineenstorting. In Van Gogh heb je dan die enorme drang om te schilderen, het enige wat hem verlichting kan bieden. In de laatste periode in Auvers-sur-Oise schildert hij als een krankzinnige, tientallen en nog eens tientallen doeken, en het is alsof het enige wat betekenis heeft de artistieke daad is, en alsof die betekenis eindigt met de laatste lijn, de laatste penseelstreek, en hij na die lijn, die penseelstreek, op zoek moet naar nieuwe lijnen, nieuwe penseelstreken, nieuwe vormen. Alleen in het artistieke proces, in het doen, herstelt alles zich weer, maar uitsluitend voor de duur van de handeling. Het is daar, lopend op de bergkam tussen het geleefde en het gedroomde leven (of het afgebeelde leven, als je dat zo kunt zeggen), dat de ruimte van het geleefde leven steeds kleiner wordt, steeds verder krimpt, totdat die verdwijnt. En dus zou je om te leven – dacht ik toen ik de doeken uit Van Goghs laatste periode bekeek – steeds maar moeten doen en doen en doen en doen, nooit ophouden met schilderen – nooit, zelfs geen seconde – of met schrijven, of met componeren, met proberen een betekenis te construeren, wat voor een dan ook, een nieuwe hypothese van de werkelijkheid. Maar uiteindelijk loop je altijd het risico dat je ergens anders heengaat, verhuist naar de andere, gedroomde oever van het leven, en dat je daar plotseling oog in oog staat met de dood, je hoofd opricht en er een einde aan maakt.

Van Gogh's garen brak wellicht op de dag dat hij dat schilderij had geschilderd

Schrijver

Andrea Bajani

Andrea Bajani (1975) is schrijver en journalist. Zijn debuutroman Se consideri le colpe (Wie houdt dan stand?) uit 2007 werd lovend ontvangen in Italië, en in 2008 bekroond met de Premio Mondello. Later volgde Ogni promessa (De belofte). Beide romans werden door Yond Boeke en Patty Krone vertaald in opdracht van uitgeverij Athenaeum.

Bekijk alle weblogs van Andrea Bajani