weblog

Een interview met Edgar de Bruin, laureaat van de Vertaalprijs 2015

Basketballen in de Koude Oorlog

14 april 2016

‘Ik ben geboren en getogen in Den Helder, de marinestad. Mijn middelbare school organiseerde elk jaar een internationaal basketbaltoernooi, waar ook een middelbare school uit Praag aan deelnam. In 1976 werd onze school daar uitgenodigd. We werden dik ingemaakt en maakten vooral veel lol met onze Tsjechische tegenstanders. Het was een volslagen onbekend land maar ik leerde er leeftijdgenoten kennen die dezelfde interesses bleken te hebben. Daaruit groeiden vriendschappen, ondanks de erbarmelijke politieke toestand. Mensen in Nederland zeiden: maar al die uniformen daar op straat! Terwijl ik in Den Helder niet anders gewend was.’

‘Tsjechisch bleek je alleen in Amsterdam te kunnen studeren. Ik had toen geen flauw idee dat ik ooit literair vertaler zou worden. Aan de Universiteit van Amsterdam trof ik mensen als Kees Mercks. Mijn eerste stappen op het vertalerspad zette ik dankzij hem. Een uitgever had hem benaderd om De ingenieur van de menselijke ziel van Josef Škvorecký te vertalen. Kees maakte deze vertaling met zijn studenten, onder zijn supervisie. Ik nam ongeveer de helft voor mijn rekening, Katka Kolmaš deed de andere helft en Peter Traudes deed de research. Een paar jaar geleden keek ik met Kees nog eens naar die oude vertaling. Ondanks ons precieze werk bleken er toch fouten in te zitten. Ik besefte nog maar eens dat een vertaling beperkt houdbaar is. Hooguit twintig jaar. En als ik zie wat ik me destijds veroorloofde aan spreektaal, zo gek zou ik uitgevers nu niet meer krijgen.’

Gouden tijden

‘Mijn eerste vertaling viel samen met de omwenteling. Er was een enorme interesse, uitgevers in West-Europa wilden al die nieuwe schrijvers leren kennen, wilden weten wie de belangrijke jonge auteurs waren. Uitgeverij Ambo liet me zelf kiezen wat ik van Škvorecký wilde doen! Dat werd toen zijn grote roman De lafaards. Vervolgens heeft Wereldbibliotheek een reeks Tsjechische auteurs uitgegeven. Weelde.’

‘Sinds 2000 heeft de Midden-Europese literatuur niet langer de x-factor. En dat is jammer. Ik ben ervan overtuigd dat deze landen Europa veel te bieden hebben. Denk alleen al aan de andere blik die men daar op Rusland heeft, de politieke ervaring is er zo anders. En de democratie is er nog altijd niet geheel geland. De tanende interesse heeft ook te maken met de normalisering van de Tsjechische literatuur – al is dat een beladen term. Voorheen kreeg de Tsjechische literatuur altijd aandacht vanwege de politieke context van de Koude Oorlog. Tegelijkertijd werden sommige dissidente auteurs daarom onterecht politiek gelezen. Vaculík was verboden vanwege zijn opvattingen, niet primair vanwege zijn boeken. Die politieke blik ging soms voorbij aan de onmiskenbare literaire kwaliteit.’

Het belang van een vertaling

‘Belangrijk is het feit dat een vertaling er is. Dat die beschikbaar blijft in bibliotheken, ergens ligt zo’n tekst er toch voor eeuwig, dat is de echte winst. Tsjechische auteurs zijn in Nederland geen bestsellers, hoewel sommige klassieke auteurs redelijk verkopen, zoals Jiří Weil of Karel Čapek. Maar belangrijk is dat er in de breedte vertaald blijft worden in Nederland. Vandaar het enorme belang van de kleinere uitgeverijen die vaak meer durf tonen. Er zijn al genoeg gemakzuchtige boeken… Van uitgevers komt wel eens de opmerking: Midden-Europese of Tsjechische literatuur, dat is allemaal zo moeilijk! Ik vind: een boek mag wel wat vergen van een lezer.

De eerste Topol, dat was geen boek voor op het nachtkastje… Toch is Topol inmiddels een gewild auteur, uitgeverijen willen graag vergelijkbare schrijvers in hun fonds. Maar als vertaler uit de kleinere talen blijf je op achterstand staan. Het is een beetje vechten tegen de bierkaai, tegen de Angelsaksische teksten.’

‘Elke vertaler heeft een of een paar auteurs die hem goed liggen. Ligt een auteur je niet, dan worstel je vreselijk met een vertaling en kost het meer tijd om je de tekst eigen te maken. Met Topol ben ik goed bevriend geraakt. Ik ben ook de eerste lezer van zijn manuscripten en fungeer een beetje als zijn klankbord. Onlangs nog stuurde hij me een stuk van honderd pagina’s van zijn roman in wording, ik stuurde dat weer terug met commentaar. We zeggen elkaar ongezouten de waarheid. Het is mooi om te zien hoe een boek ontstaat. Zo ging het ook met De werkplaats van de duivel. Hij stuurde me eerst 50 pagina’s – dat boek zat al in hem. En vervolgens zie je dat boek tot stand komen.’

Het gevecht en het geluk van een kleine taal

‘Als vertaler uit een kleine taal kun je je minder veroorloven. Het werk van Hůlová bijvoorbeeld, dat schuurt, de bijzinnen wringen. In de vertaling geef ik dat weer. Een recensent begreep dat niet goed. Ik ben ervan overtuigd dat als het origineel in het Engels was geschreven, niemand hierover was gevallen. “We zijn er niet op uit om het Nederlands te vernieuwen,” zei een redacteur eens. Natuurlijk maak ik een afweging, ik denk ook aan de lezer, dat doet een auteur tenslotte ook. We werken niet voor een museum maar voor een publiek. En dus streef ik naar leesbaarheid. Maar tegelijk moet de eigenheid zichtbaar zijn. Vandaar het belang van een goede redacteur. Zaken waar ik mee worstel, daarmee wil ik bij een redacteur terecht kunnen.’

‘Wie zeker in het Nederlands vertaald dient te worden is Jan Balabán. Te vroeg gestorven, wordt hij tot de interessantste auteurs van na de fluwelen revolutie gerekend. Ik hou vooral van zijn donkere, sombere, rauwe romans en verhalen die zich afspelen in de industriestad Ostrava, rond de steenkoolmijnen aldaar, de hoogovens. Geweldige contrasten en zo menselijk, realistisch. Ronduit prachtig.’

‘Ambachtelijkheid is belangrijk, maar wat ik vooral verwacht van een auteur is dat hij iets te vertellen heeft. Zo levert Emil Hakl in zijn romans en korte verhalen onderhuidse kritiek, op subtiele wijze, op de huidige tijd, op de huidige Tsjechische samenleving. In zijn laatste roman Een ware gebeurtenis is hij explicieter, daarin trekt hij een parallel tussen de situatie in West-Duitsland 25 jaar na de Tweede Wereldoorlog en Tsjechië 25 jaar na de val van de Muur.’

Het handwerk van de vertaler

‘In het begin van mijn loopbaan was ik veel tekstvaster, strenger in de leer. Met de jaren kwam de souplesse. Inmiddels zal er vast wel een herkenbaar Edgar de Bruin-Nederlands zijn. Ik woon in Amsterdam, zoals men hier spreekt is mijn talige bagage. Met sommige spreektalige oplossingen val ik hierop terug. In Vlaanderen staat men daar wel eens raar van te kijken. Uiteindelijk is het toch vooral een kwestie van intuïtie. Hoe voel ik een tekst aan? Het is iets wat groeit, wat je leert.’

‘De meeste vrijheid heb je als vertaler in dialogen. Het is meer puzzelen en tegelijk o zo concreet. Ik vang hier op straat van alles op, zoals mensen zich uitdrukken. Of ik luister naar mijn kinderen die nu in de twintig zijn, en dan vraag ik hen: hoe zeggen jullie zoiets? En Madla [Madla Hüblová -De Bruin, vertaalster Nederlands-Tsjechisch] heeft een ongelooflijk scherp oor voor het Nederlands, misschien juist omdat het haar moedertaal niet is. Want in dialogen heeft letterlijk vertalen natuurlijk al helemaal geen zin.’

‘Dit jaar geef ik met Eric Metz aan de VertalersVakschool een eenmalige cursus literair vertalen uit het Tsjechisch. Ik begin met basisvaardigheden, en val daarbij terug op het adagium van Kees Mercks: vertrouw nooit op de kennis die je denkt te bezitten, controleer het liever. Hoe herken je de valkuilen, zoals het te slaafs volgen van de Tsjechische zinsbouw? En wat kun je doen met de typisch Tsjechische spreektaligheid? Ik wil ook aandacht schenken aan dialogen, dat is misschien wel het moeilijkste bij vertalen. Je moet als vertaler echt lef tonen en je niet blind staren op het origineel. Pas als je je bewust bent van deze zaken kun je intuïtiever te werk gaan. Ik ben geen theoreticus; naast alle precisie, het controleren van feiten, werk ik toch vooral op het gevoel. Topol is daar heel radicaal in en zegt tegen zijn vertalers: “doe wat je wilt! Vertel mijn verhaal zo dat het goed klinkt in het Nederlands. Het mag geen shit worden!”’


Edgar de Bruin (1958) studeerde Tsjechisch aan de Universiteit van Amsterdam en de Karelsuniversiteit in Praag, en is sinds 1993 actief als vertaler. Samen met zijn vrouw Madla Hüblová runt hij het literair agentschap Pluh. Naast vertalingen biedt het bureau ook taalcoaching aan operazangers bij het instuderen van Tsjechisch repertoire.

De Bruin introduceerde schrijvers als Petra Hůlová, Jáchym Topol, Patrik Ouředník en Marketa Pilatová in Nederland. Naast korte verhalen, poëzie en toneelstukken vertaalde hij inmiddels zo’n vijftig romans. Een overzicht van zijn oeuvre is te vinden op de website van het Letterenfonds. Voor uitgeverij Voetnoot deed hij de redactie van de Moldaviet-serie, een reeks moderne pareltjes - opgevist uit Moldau; voor 9 van de 24 delen verzorgde hij nawoord of interview en vertaling. Sinds kort doceert De Bruin ook aan de VertalersVakschool Amsterdam.

In 2006 ontving hij voor zijn vertaling Spoelen met teerzeep van Jáchym Topol de Aleida Schotprijs, die uitgereikt wordt aan vertalers van Slavische literatuur. In 2007 werd hij door de Tsjechische Schrijvers Vereniging onderscheiden met de Premia Bohemica Prijs voor zijn verdiensten voor de Tsjechische literatuur.

Bij uitgeverij Das Mag verschijnt in 2016 zijn vertaling Het in kaart brengen van Anna van Marek Šindelka en bij Nobelman Het einde van de punk in Helsinki van Jaroslav Rudiš. Bij Atlas is de vertaling van Richard Glazars Treblinka, een woord uit een kinderrijmpje in voorbereiding.

Schrijver

Guido Snel

is schrijver en vertaler. Hij vertaalde werk van onder meer Daša Drndić, Igor Štiks en Isabel Fonseca. Bij De Arbeiderspers publiceerde hij de stadsverhalengids Naar Istanbul en in 2016 de verhalenbundel Huis voor het hiernamaals.

Bekijk alle weblogs van Guido Snel