Essay

Maarten Valken

De vertaling van Nederlandstalige literaire non-fictie in Frankrijk: een momentopname

16 October 2012

Literaire non-fictie is in de afgelopen tien, vijftien jaar een begrip geworden in de Nederlandstalige letteren, vooral dankzij schrijvers als Geert Mak (1946), Frank Westerman (1964), Douwe Draaisma (1953), Lieve Joris (1953) en de Vlaming David Van Reybrouck (1971). Hun boeken halen verkoopcijfers waar fictieauteurs van dromen, en worden veelvuldig genomineerd voor literaire prijzen.

Non-fictie vormt dan ook een belangrijk onderdeel van de promotie van de Nederlandstalige literatuur naar het buitenland, een van de zwaartepunten in het nieuwe beleid van het Nederlands Letterenfonds dat in 2010 werd geformuleerd. Naast aandacht voor digitale ontwikkelingen, biografieën en essays wordt er de komende jaren ingezet op het vertaalbeleid, de opleiding van vertalers, en de versterking van de vertaling van non-fictie in en uit het Nederlands.

Het gaat hier wel specifiek om literaire non-fictie, of quality non-fiction: werk dat zich op de scheidslijn met de fictie bevindt, journalistiek of academisch onderzoek dat zich bedient van literaire middelen, en vaak een verhalende structuur heeft. Naast de journalistieke aanpak van sociologische thema’s van Geert Mak, de verbinding van persoonlijke ervaringen met grotere historische verhalen van Frank Westerman, de literaire beschrijving van psychologische ziektegevallen door Douwe Draaisma en de mix van geschiedenis en reportage bij Van Reybrouck halen familiegeschiedenissen en populairwetenschappelijke boeken over hersenonderzoek geregeld de bestsellerslijsten.

Zo niet in Frankrijk. Pas sinds enkele jaren begeven Franse uitgevers zich buiten het traditionele domein van het vaak theoretische essai en het (soms) agressieve politieke pamflet. Jean Mattern, redacteur fictie en narratieve non-fictie (zoals hij het zelf noemt) bij Gallimard, stelt dat Frankrijk ‘als laatste land zo’n beetje’ de literaire non-fictie ontdekt heeft, en ‘met het minste succes tot nu toe’. Sylvie Fenczak, uitgever non-fictie bij Flammarion, zoekt noodgedwongen in het buitenland naar vernieuwende wetenschappelijke vulgarisation, in Frankrijk kon zij geen equivalent van Douwe Draaisma vinden. En Hugues Jallon, de nieuwe non-fictie redacteur bij du Seuil, heeft grote moeite om zijn auteurs te verleiden tot het schrijven van meer literaire non-fictie, een genre waar hij zelf grote toekomst mogelijkheden voor ziet (terwijl Seuil al in 2003 in haar serie “Sciences ouvertes” Le Vivier de Darwin van Tijs Goldschmidt (1953) uitgaf, een van de best geslaagde Nederlandse literaire non-fictie werken).

Geert Mak - Voyage d'un Européen à travers le XX siècle

Des te opvallender is het succes dat Geert Mak met zijn epos over de twintigste-eeuwse Europese geschiedenis ook in Frankrijk had. Weliswaar niet de honderdduizenden boeken die hij in Nederland verkocht, maar met ruim twintigduizend verkochte exemplaren komt Un Européen à travers le XXe siècle (de Franse vertaling van In Europa, vert. Bertrand Abraham, bij Gallimard, 2007) dicht bij het succes in Duitsland, het land waar Nederlandse auteurs traditioneel het beste aanslaan. Bovendien werd er eind 2010 een nieuwe editie uitgebracht, waarvan er na een half jaar alweer tweeduizend exemplaren verkocht waren. Maar wellicht is dit voorbeeld niet meer dan de uitzondering, die het beeld van een moeizame, afstandelijke verhouding tussen de Nederlandstalige non-fictie en Franse uitgevers bevestigt. Want hoe verhoudt de vertaling van Nederlandstalige non-fictie in Frankrijk zich tot andere landen? Wat hierna volgt is gebaseerd op ruim tien jaar ervaring met de promotie van Nederlandse non-fictie in het buitenland (in 1997 begon het NLPVF met de promotie van literaire non-fictie) en gesprekken met enkele Franse uitgevers die zich waagden aan het uitgeven van Nederlandstalige non-fictie boeken.

Over het algemeen was de promotie van de Nederlandstalige literatuur in het buitenland de afgelopen jaren zeer succesvol. In 1993 waren Nederland en Vlaandern samen “gastland” op de Frankfurter Buchmesse en meteen daarna nam de vertaling van Nederlandse boeken met name in Duitsland een hoge vlucht. Nog steeds worden de meeste titels in het Duits vertaald. Dat geldt ook voor literaire non-fictie. Duitsland neemt met 20 procent van de ruim 1000 vertalingen de eerste plaats in, op korte afstand gevolgd door de Angelsaksische markt met 17 procent, en verder weg door Frankrijk met 8 procent, China met 6 procent, en Italië en Hongarije met ieder 5 procent, waarna een grotere groep landen volgt met 3 en 2 procent (bron: Vertalingendatabase. De promotie van Nederlandstalige non-fictie naar andere landen gaat dan ook vaak via de Duitse vertaling, te meer omdat die meestal als eerste verschijnt. In Frankrijk ligt ook dat moeilijk. Zoals Jean Mattern aangeeft: Duits wordt nauwelijks meer gesproken door de Fransen. Hij spreekt het zelf overigens wel, en ook Nederlands kan hij lezen, een belangrijke reden voor de vele Nederlandse auteurs in zijn fonds.

Ook de promotie van vertaalde titels wordt in Duitsland serieuzer ter hand genomen, journalisten komen soms vooraf naar het Nederlandse taalgebied om de auteur te interviewen, schrijvers worden uitgenodigd voor lezingen door het hele land, en de verkoop is in veel gevallen opvallend goed. In Frankrijk daarentegen ondervinden uitgevers grote problemen bij het promoten van vertaalde titels. Journalisten zijn over het algemeen niet geïnteresseerd in auteurs die geen Frans spreken. Zo blijven voor de Nederlandse auteurs (de meeste Vlaamse schrijvers spreken wel nog Frans) radio en televisie, in Frankrijk heel belangrijk voor de promotie van boeken, onbereikbaar. Alleen met simultane vertaling zijn de media bereid met een schrijver te praten, en dat betekent voor de Franse uitgevers een hoge investering die ze alleen willen en kunnen doen voor een kleine groep topauteurs.

Het succes van de non-fictie vertalingen uit het Nederlands is daarmee afhankelijk van recensies en interviews in kranten en weekbladen, en optredens van en discussies met de auteur op het jaarlijkse Salon du livre of in het Institut Néerlandais te Parijs. En hoewel Jean Mattern zegt de potentie van Un Européen à travers le XXe siècle meteen te hebben gezien, was het succes van die vertaling volgens hem vooral te danken aan mond-tot-mondreclame. Hij wijst op de verschillende lezersgroepen: studenten, journalisten, en ook fictielezers, waardoor het boek overal werd verkocht - in grote en kleine boekwinkels, zowel in als buiten Parijs - ondanks het feit dat boekhandelaars vaak niet wisten waar het boek in hun winkel neer te zetten. Inmiddels heeft Mattern zelfs grotere successen geboekt met vertaalde literaire non-fictie: van Roberto Saviano’s Gomorra werden in Frankrijk meer dan 200.000 exemplaren verkocht. Dat was helaas niet het geval met Danse avec la mort van de Nederlandse arts Bert Keizer (1947), een openhartig boek over een verpleegtehuis waarin delicate thema’s als euthanasie en hulp bij zelfdoding niet uit de weg worden gegaan. Hugues Jallon gaf het uit, toen hij nog bij La Découverte werkte. En evenmin bij de vertalingen van Douwe Draaisma bij Flammarion en Frank Westerman bij Bourgois. Hoewel deze boeken goed werden gerecenseerd in de Franse kranten, kwamen de verkopen niet boven de paar duizend exemplaren.

Niet opgeven!

Toch zijn de eerder genoemde uitgevers vastbesloten door te gaan met de vertaling van literaire non-fictie, ieder op zijn manier. Jean Mattern in de eerste plaats als fictieredacteur en van daaruit op zoek naar de grenzen tussen fictie en non-fictie, Sylvie Fenczak vanuit het meer gedegen fonds van Flammarion voorzichtig op zoek naar nieuwe manieren om wetenschap dichterbij een groter publiek te brengen, en Hugues Jallon vol ambities om een nieuwe generatie Franse auteurs te bewegen tot het schrijven van literaire mengvormen van fictie en non-fictie. Ze hebben nog niet veel medestanders in Frankrijk, en hun successen zijn tot dusver slechts sporadisch, maar hun hart ligt duidelijk bij dit relatief nieuwe genre. Dat Actes Sud, waar Philippe Noble al jarenlang werkzaam is als adviseur, de Franse vertaling van David Van Reybroucks Congo uitgeeft, is uiteraard een stap in de goede richting. Voor de vertaling van dit boek in verschillende talen heeft het Vlaams Fonds voor de Letteren, de Vlaamse pendant van het Nederlands Letterenfonds, een groot deel van zijn subsidiebudget ter beschikking gesteld.

Er zijn dan ook zeker kansen in de toekomst voor de vertaling van Nederlandse literaire non-fictie in Frankrijk. Natuurlijk is de concurrentie van de Angelsaksische markt sterk, met een vele malen groter aanbod en vooral een agressieve promotie door de grote Amerikaanse agentschappen. Maar Jean Mattern wil niet aan die dominantie toegeven, hij vecht er zelfs tegen. Wellicht dat de media gevoeliger zijn voor het prestige van Amerikaanse of Engelse auteurs, maar voor de Franse lezer maakt het volgens hem niet uit uit welk land een boek komt. Hij wijst er bovendien op dat er dankzij bijvoorbeeld het werk van het Nederlands Letterenfonds minder redenen zijn om een Nederlandstalig boek af te wijzen dan een Engelse titel. Brochures, sample vertalingen, persoonlijk contact, en ten slotte de vertaalsubsidies spelen een belangrijke rol om buitenlandse uitgevers te overtuigen een Nederlands boek aan te kopen.

Het voorbeeld van Frankrijk laat zien dat verdere inzet bij de promotie van een vertaling essentieel is, immers na tegenvallende verkopen worden uitgevers voorzichtiger met het uitgeven van nieuwe vertalingen. En juist in Frankrijk liggen daar nieuwe kansen. De afgelopen jaren neemt de betekenis van literaire festivals toe. Er komen er steeds meer, en steeds vaker worden buitenlandse auteurs uitgenodigd. Nederlandstalige schrijvers zouden er samen met hun vertaler promotie kunnen doen voor de vertaling van hun boek. Kortom, er liggen nog vele prachtige literaire non-fictie titels te wachten op vertaling in het Frans.

Maarten Valken

Hoofd vertaalbeleid van het Nederlands Letterenfonds, m.valken@letterenfonds.nl

De Franse versie van dit artikel verscheen eerder in nr. 3, 2012 van tijdschrift Septentrion, uitgegeven door Ons Erfdeel

Er zijn zeker kansen in de toekomst voor de vertaling van Nederlandse literaire non-fictie in Frankrijk.